3. 1626-1632
3.1 Zuidelijke Nederlanden
Tot 1626 bleefhet conflict tussen la Cueva en Gondomar voortduren. Gondomar had niet de intentie la Cueva voor te laten gaan in junta's en raden. Hij was van mening dat hij, zoals in de Consejo de Estado, in bepaalde gevallen voorrang had op de kardinalen, zoals wanneer hij eerder aankwam of als hij ouder was. Uit bronnen afkomstig uit Italië had hij vernomen dat de kardinalen daar evenmin dergelijke voorrechten genoten. Gondomar vond dat het een slecht precedent zou zijn om de kardinaal in de regel voqrrang te verlenen. Ook vond hij zichzelf als lid van de Consejo de Estado en als buitengewoon ambassadeur in Frankrijk, hoger geplaatst dan la Cueva. In afwachting van een antwoord van de koning, verklaarde Gondomar niet meer deel te zullen nemen aan vergaderingen van junta's of raden414• Filips IV bleef bij zijn beslissing, dat la Cueva in junta's en raden voorrang kreeg, ondanks de argumenten die de graaf had aangevoerd. De raadsleden van de Consejo de Estado vonden na al dat gebakkelei dat de aanwezigheid van Gondomar in Brussel van niet veel nut was en dat hij al even goed kon terugkeren naar Spanje415•
De graaf van Gondomar verbleef in maart nog steeds aan het hof in Brussel maar hij werd door de landvoogdes niet uitgenodigd om een inbreng te doen in staatszaken. Hij wist zelf niet wat zijn eigenlijke functie was in Brussel; de Spaanse vorst had hem naar de Zuidelijke Nederlanden gestuurd met als reden dat zijn aanwezigheid daar van groot nut zou zijn.
De ruzie bleef voortduren over wie de ander eerst diende te bezoeken. Waarschijnlijk na het ontvangen van orders van de koning, verscheen Gondomar eind maart toch in de Junta van Oorlog. Hij liet la Cueva voorgaan in de zitting en bij het raad geven416• De ruzie raakte uiteindelijk opgelost door een goed gesprek. La Cueva bezocht als eerste de markiezin van Mirabel, waarop de markies van Mirabel een tegenbezoek aflegde en hij overtuigde Gondomar hem te vergezellen. De daaropvolgende dag nodigde Gondomar een aantal mensen uit, waaronder la Cueva Er werd een Spaans komedie vertoond en de conversatie duurde voort tot 's morgens417•
415 Consulta Consejo de Estado, 20/1/1626 (AGS E 2040, f.72)
416 Bagno aan Barberini, 2 II3/1626 (NdF V, 1516)
417 Bagno aan Barberini, 25/4/1626 (NdF V, 1544)
In 1621 werd door Filips IV een interimbestuur vastgelegd dat eventueel kon dienen ter vervanging van Isabella. Spinola, la Cueva, de aartsbisschop van Kamerijk, de prins van Legni en de graafvan Salazar zouden er deel van uitmaken418 .
Dit geheim bericht was overgemaakt aan la Cueva, die in 1627 vroeg aan wie hij dit document moest overdragen in het geval hij naar Rome zou vertrekken. Vanuit Madrid antwoordde men het te overhandigen aan de toekomstige ambassadeur, van wiens aanstelling hij op het gepaste moment bericht zou krijgen419 • Hierbij stuurde de vorst hem nog meer geheime verordeningen waarvan la Cueva de toestemming kreeg kennis te nemen en die hij moest bewaren420 •
De graafvan Salazar, die overleden was, werd in 1627 vervangen door de markies van Leganés in de eventuele interim-regering421 • Voor het geval Spinola niet zou beschikbaar zijn, wat een jaar later ook het geval was, toen hij naar Madrid vertrok om een vredesakkoord voor de Nederlanden te bepleiten en niet meer terugkwam, werd Don Diego Messia, markies van Leganes, ook aangeduid als eventuele vervanger van de Infanta in het legerbestuur. Don Carlos Coloma zou dan weer de plaats innemen van Leganes, indien die nood zich zou voordoen422 • Om de politieke rol van Spinola in te vullen in het interim-bestuur werd de bevelhebber van de citadel van Antwerpen aangeduid, ter vervanging van la Cueva benoemde men de veedor general, in plaats van Legni, de voorzitter van de geheime raad en indien die afwezig zou zijn de graaf van Hoogstraten423 .
Een jaar later meldde la Cueva aan de regering in Spanje dat de gezondheid van Isabella achteruit ging. Ze had al de gezegende leeftijd bereikt van drieënzestig jaar, bleef vaak 's nachts doorwerken, deed de laatste maanden geen Lichaamsoefeningen meer, had nierklachten en was geraakt door de gebeurtenissen van het afgelopen jaar 424 • Met het eventuele overlijden van de Infanta in zijn achterhoofd, had de ambassadeur de geheime verordeningen bestudeerd en hij was tot de conclusie gekomen dat een aantal aanpassingen welkom zouden zijn. De president van de Geheime Raad, Maes, was volgens hem niet geschik;t als eventuele vervanger van de prins van Legni. Hij was volkomen afgeleefd en niet van nut en zo was hij altijd al geweest, alhoewel het een goed man was. Bovendien zou de Zuidnederlandse adel het kwalijk nemen als er een legist die functie innam, in plaats van één van hen. Meer nog,
419 Consulta Junta de Madrid, 22/ III1627 (AGS E 2041, z.f.)
42°Filips IV aan la Cueva, 23/12/1627 (AGS E 2041, z.f.)
421 Consulta Consejo de Estado, 20/12/1627 (AGS E 2041, z.f.)
422 Consulta Consejo de Estado, 20/12/1627 (AGS E 2041, z.f.)
423 De vier waren: Don Carlos Coloma, Juan Bravo de Laguna (de aartsbisschop van Kamerijk) en zijn vervanger de abt van San Bas, en Maes, die als volkomen ongeschikt werd beschouwd en evengoed afwezig kon zijn.
Consulta Consejo de Estado, s.d. (AGS E 2041, z.f.)
424 z·1e ·mfr a p.93.
het werk zou weinig of geen waardering kennen door de zwakte en moedeloosheid van Maes en het algemeen misbruik van de goedheid van Isabella. Ook over de ¡x>sities van de citadeloverste van Antwerpen en de veedor general zou de adel zich verbazen. De aanstelling van één van de voorgangers van de bevelhebber van Antwerpen zouden ze door de vingers zien maar de toenmalige bezat niet de nodige kwaliteiten voor de functie. Een veedor general echter, zouden ze nooit aanvaarden als gouvemeur omdat die niet in de passende positie verkeerde.
La Cueva vond geen enkele belangrijke Zuid-Nederlander geschikt om plaats te nemen in de interim-regering. Over de hertog van Aarschot kon hij geen goed woord kwijt, de prins van Ligni en de graafvan Hoogstraten noemde hij jongens, de graafvan Egmont en de prins van Barbanzon jongemannen in leeftijd en nog meer qua verstand. Espinoy had niet de juiste achtergrond want zijn vader voelde sympathie voor de rebellen. Men kon echter aan deze edelen ook niet zomaar voorbij gaan en andere van lagere adel aanstellen. Dat zou de situatie gevaarlijker maken dan ze op dat moment was. De ambassadeur wou een eventuele opstand met behulp van het leger onderdrukken, dat volgens hem in gereedheid moest worden gebracht. La Cueva wees de koning er op dat, door zijn toekomstig vertrek naar Rome en de reis van de veedor general naar Spanje, zijn plaats in de interimregering, noch die van zijn vervanger, ingevuld zouden zijn 425.
In Madrid concludeerde men dat er maar vier beschikbare personen over bleven van de lijst, inclusief vervangers: Don Carlos Coloma, Juan Bravo de Laguna (de aartsbisschop van Kamerijk) en zijn vervanger de abt van San Bas, en Maes, die ook door de raadsleden van de Consejo de Estado als volkomen ongeschikt werd
beschouwd en evengoed afwezig kon zijn426.
Het eerste bevel van Filips IV aan la Cueva om zich naar Rome te begeven, dateert van november 1626. Hij zou er kardinaal de Trejo vervangen, die naar het bisdom van Malaga was overgeplaatst. Bedmar werd geacht de belangen van de Spaanse koning aan het Vaticaanse hof te verdedigen. Hij werd verzocht zo spoedig mogelijk te vertrekken, want uitstel kon nadelig zijn voor de koninklijke belangen427. De ambassadeur antwoordde dat hij verhinderd was te vertrekken door geldproblemen, waarop de koning repliceerde dat hij zich desondanks toch naar Rome moest begeven.
Nadat la Cueva daar zou zijn aangekomen, kon hij de vorst opnieuw aanschrijven over dezelfde materie, waam Filips IV zijn schulden zou inlossen428.
Twee jaar later - la Cueva had aan het bevel geen gehoor gegeven - gaf Filips IV de volgende opdracht aan de ambassadeurs van de Zuidelijke Nederlanden, het Keizerrijk
426 Consulta Consejo de Estado, s.d (AGS E 2041, z.f.)
427 Filips IV aan la Cueva, 30/9/1626 (AGS E 2235, f.l03)
428 Filips IV aan la Cueva, 3 III2/1626 (AGS E 2235, f.145)
en Frankrijk, die in het bijzonder van ontniddellijk belang was voor la Cueva: om de gang van zaken in positieve zin voort te zetten en te vermijden dat zaken zouden verslechteren, moest een ambassadeur, die uittrad of verplaatst werd, een verslag zenden naar de koning persoonlijk, met een dagelijks overzicht van verschillende, belangrijke feiten, die hadden plaatsgevonden tijdens hun ambttermijn. Als deze zaken afgerond waren, verlangde de koning vermeld te zien hoe ze waren beëindigd, als ze nog lopend waren, wat er nog diende te gebeuren. Indien een dagelijks verslag niet kon gemaakt worden, verlangde Filips IV toch een zo groot mogelijke inzet429 •
Op 14 april1629 overwonnen de Staatsen 's Hertogen Bosch430 • De gemoederen onder het volk waren verhit en de Zuidnederlanders vreesden dat de oorlog zou uitdraaien in hun nadeel. La Cueva werd gezien als zondebok. De ambassadeur schreef uitgebreid naar Spanje over het gebrek aan respect en trouw van de Zuidnederlanders. Hij was van plan zo snel mogelijk te vluchten maar de Infanta beval hem te blijven. La Cueva vreesde dat de lagere klassen als eerste zijn woonst zouden aanvallen, waarop hij zich uitgebreid verontschuldigde bij de koning voor de valse aantijgingen. Hij omschreef de algemene ordeverstoring als onbeschaamd: in Brussel predikten er protestanten op twee plaatsen, had hij horen zeggen. Volgens la Cueva bevorderden de graaf van Egmond, de hertog van Aarschot en de baron van Hoboken de onlusten. Vooral de hertog van Aarschot was ontevreden omdat hij niet werd toegelaten in de junta's. De kardinaal was echter van mening dat het gevaarlijker zou zijn de Raad van State in ere te herstellen dan nu het hoofd te hieden aan de misnoegden.
Hij maakte melding van de wanorde in de justitie en in de regering en beweerde dat de krachten om dit recht te zetten groot zouden moeten zijn. Er gingen geruchten dat Hendrik van den Bergh zich opzettelijk liet verslaan in 's Hertogen Bosch, ter bevordering van zijn eigen belangen en vanwege dreigementen van de kant van de rebellen. Men hield van den Bergh voor een geldzuchtig man zonder godsdienst en zonder geweten, farnilie van de prins van Oranje en met twee inwonende zussen die hardnekkige ketters waren en hem onder hun invloed bielden. La Cueva voelde de hete adem van het volk in zijn nek en verzocht de koning hem zijn uitkering van vierduizend ducaten over te maken en een bedrag om zijn reiskosten te kunnen dekken431 . Waarschijnlijk probeerde hij de negatieve aandacht voor van den Bergh en Aarschot extra te belichten, om zo de kritiek op zijn persoon te verdoezelen. Tevens voerde hij uit wat hem in zijn instructies was opgedragen: verdachte personen aan het herkenbaar maken aan de koning.
Eind augustus 1629 was door de koning beslist dat de graaf van Aytona als buitengewoon ambassadeur naar Brussel zou worden gezonden. Alhoewel hij, volgens
429 Filips IV aan de ambassadeurs van het Heilig Roomse Rijk, de Zuidelijke Nederlanden en FrankriJ'k,
10/10/1628 (AGS E 2236, f.371)
430 Ziemfra p.93
431 Consulta Consejo de Estado, s.d. (AGS E 2043, f.30)
Olivares, geen rechtstreekse concurrentie zou vormen voor Bedmar, die gewoon ambassadeur was, vond de eerste raadsman van de koning toch dat Filips IV best verordende la Cueva op Romereis te laten gaan. Ook stelde hlj voor, dat eens Spinola, die intervenieerde in de Mantua-crisis, in Italie vrede zou hebben gesloten, deze met een deel van zijn troepen opnieuw naar de Zuidelijke Nederlanden zou optrekken432 •
De meeste raadsleden van de Consejo de Estado waren er nu van overtuigd dat la Cueva zich zo snel mogelijk naar Rome moest begeven. Enkelen, waaronder ook Olivares, gaven de koning de raad Bedmar te laten weten dat ook de kardinalen vanuit Spanje naar de Heilige Stad vertrokken om te onderhandelen over een vredesbestand433• Filips IV volgde het advies van de Consejo en spoorde la Cueva, met een maand tussentijd, twee maal aan om zich naar Rome te begeven434 • In de eerstevan die brieven gaf de vorst Bedmar te kennen dat hlj de markies van Aytona opdracht had gegeven zich als buitengewoon ambassadeur naar de Zuidelijke Nederlanden te begeven. La Cueva werd geacht Aytona op de hoogte te stellen van alle zaken waar la Cueva mee te maken had, een duidelijk blijk dat Aytona wel degelijk de plaats kwam innemen van de kardinaal435•
Op 6 september schreef la Cueva een aantal brieven naar Madrid waarin hlj uiteen zette dat de toestand in de Zuidelijke Nederlanden, na het verlies van Wesel436, zeer slecht geworden was. In Antwerpen, stad waar vele en machtige ketters verbleven, stelde het volk zich niet tevreden met oproerige liederen en slogans, maar stenigden ze afbeeldingen van Onze Lieve Vrouw en kloosters. Ze brachten op openbare plaatsen beledigende pamfletten aan tegen de paus, Filips IV en de Infanta. Ook op de poorten van de grootste kerk van Brussel had men aanplakbiljetten aangetroffen van ophitsende aard, alhoewel de auteur zich katholiek noemde en bezield in dienst van de koning (wat nog gevaarlijker was, volgens la Cueva). Dit alles en de onbeschaamdheid die de Gentse ketters aan dag legden, waren het gevolg van de groeiende reputatie die de rebellen verworven. De mensen vergeleken de resultaten van de Staatsen met die van de Spaanse troepen, die niets van betekenis realiseerden wegens gebrek aan geld. La Cueva waarschuwde er voor dat als deze toestand zou aanhouden, er een algemene opstand zou komen in de trouwe provinciën. Dit was te verhelpen door het leger zo op te stellen dat de vijanden het zouden vrezen en de Zuid-Nederlanders het respecteren, want deze laatsten hadden volgens la Cueva een rem nodig. De kardinaal pleitte er voor de drie citadels in orde te stellen. Ze waren alle drie bemand met nog niet de helft van de nodige manschappen. Diegene die er waren, bedelden om niet van honger van om te komen, beweerde la Cueva. In Gent brokkelden de muren af. De citadel van
433 Consulta Consejo de Estado, 24/9/1629 (AGS E 2043, f.67)
434Filips IV aan la Cueva, 1/9/1629 (AGS E 2236, f.l72) Filips IV aan la Cueva, 27/9/1629 (AúS E 2236, f.191)
435 Filips IV aan la Cueva, 1/9/1629 (AGS E 2236, f.172)
436 ztem frap.93.
Antwerpen stond er ook slecht bij en zijn bevelhebber was afgeleefd, doof, bijna blind en volkomen waardeloos. Een ander, niet minder emstig probleem was het wantrouwen waarmee de leiders van het leger en de militairen zelf aan elke ondememing begonnen. Door gebrek aan bijstand zochten ze uitvluchten om geen activiteiten te moeten aanvangen, zoals bijvoorbeeld Hendrik: van den Bergh dat deed. La Cueva drong er op aan snel iets aan de situatie te doen, want ter zelfde tijd werden de Zuidelijke Nederlanden bedreigd met een invasie van de rebellen, muiterij in het leger en een opstand van het volk437•
Drie dagen later bracht la Cueva de koning op de hoogte van de verslechtering van de situatie. De Brusselse bevolking had zich volgens hem altijd al onbeschaamd gedragen, maar het was toen erger dan ooit en de oorzaak daarvan lag, volgens de ambassadeur, in hun rijkdom. Men vreesde een revolte, die snel uitbreiding zou nemen naar andere steden. De opstandelingen hadden leiders en er circuleerden brieven in het Vlaams die de bevolking opruiden om de Spanjaarden weg te jagen. Ze boden garanties voor de religie\}ze kwestie. De leiding van de regering was verzwakt, schreef la Cueva, en kon maar overeind gehouden worden door het leger. Men had de nodige maatregelen genomen om een deel van de troepen die op veldtocht waren, te laten terugkeren. Het was onontbeerlijk dat Madrid geld stuurde. De Infanta en alle dienaren van de koning liepen groot gevaar, alsnog Bedmar, alhoewel Isabella weigerde dit te geloyen438 •
Ondertussen vond er een nieuw incident plaats waarbij de kardinaal betrokken was. De graaf van Warfusé had geweld gebruikt tegen 'les familiers' van la Cueva, omdat hij een woonst als zijn bezit beschouwde, beschouwde, waar de kardinaal al zijn goederen naar toe had laten brengen met de intentie er te gaan wonen439 • Dit conflict kon onaangename gevolgen kennen, volgens Lagonissa, maar jammer genoeg bracht hij er verder geen verslag over uit440•
In een brief aan de koning van 18 september sprak la Cueva nogmaals zijn vrees uit voor een opstand en hij verwees naar de revolte in 1619441• Ook refereerde hij naar de problemen die er waren met de graafvan Egmont in de Geheime Raad en vroeger met de hertog van Aarschot in de Raad van State. Men had besloten het regeren via de Raden zoveel mogelijk te vermijden en sinds enkele jaren werkte men met junta's die zitting hielden in de woonst van la Cueva ofSpinola442 •
2043, z.f.)
438 La Cueva aan Filips IV, 9/9/1629 (CCE II, 1471)
439 René de Renesse, graaf van Warfusée, zou in 1632 openlijk de kant van de Noordnederl ders
kiezen.
Lagonissa aan Barberini, 17/8/1632 (NdF XI, 928)
440 Lagonissa aan Barberini, 8/9/1629 (NdF XI, 438)
441 zie supra pp.20-21.
442 La Cueva aan Filips IV, 18/9/1629 (CCE ll, 1478)
De kardinaal werd teruggeroepen door de Infanta naar Brussel, na een verblijf van enkele dagen te Tervuren, waarnaar hij gevlucht was met de bedoeling daar te blijven tot het einde van de rellen443 • Het Brusselse volk was in opstand gekomen. De kardinaal durfde zijn huis niet te verlaten omdat hij de woede van het volk vreesde. De kardinaal nam zelfs geen deel aan de kerkdiensten in het paleis, schreef de opvolger van Bagno, waar hij voorheen nog nooit had ontbroken444• Isabella schreef naar de vorst dat het volk, onterecht, la Cueva verantwoordelijk stelde voor het verlies van 's Hertogen Bosch. De bevolking drukte zijn haat uit jegens alle Spanjaarden445• Een week later schreef Lagonissa, de nuntius, aan Rome, dat de ambassadeur zich klaarmaakte om te vertrekken, zonder op de aankomst van Aytona te wachten, om vijandige demonstraties te ontlopen. Zijn weinig moedige gedrag liet een slechte indruk na en de meningsverschillen tussen de ministers verergerden de situatie nog446 •
La Cueva bracht verslag uit van de intenties van de 'slecht bedoelenden'. Ze wilden niet langer één van de provincien zijn van de koning maar een onafhankelijke staat. Zo zouden de problemen veel beter opgelost geraken, als daar waren: vrede, bestand of oorlog, en andere. De ontevredenen lieten verstaan dat ze wilden dat de adel 'de ropa larga' deel zou uitmaken van de Raad van State en de Geheime Raad, en in bepaalde gevallen van de Raad van Financien, in plaats van de legisten. Hun bedoeling, volgens de ambassadeur, was tussen te komen in fmanciele zaken, kerkelijke consulten en de benoemingen in de gerechtelijke sfeer en van de magistraten. Volgens la Cueva moesten deze wensen niet ingewilligd worden, want ze zouden in geen tijd de bisschoppen, abten, raadsleden, rechters, rnagistraten en de gouvemeurs van de plaatsen aan de grens met Frankrijk, op hun hand hebben. La Cueva was van mening dat ze stilaan iedereen die in hun weg stond aan de kant probeerden te schuiven. Hun uiteindelijk doel was de vrijheid, en ze zouden niet rusten voor ze hun doel bereikten447 •
Een kleine maand later wist Lagonissa dat la Cueva nog steeds teruggetrokken leefde in zijn huis en dat hij wachtte om te vertrekken op de aankomst van Mirabel, die voorlopig uit Parijs naar Brussel was gevorderd als buitengewoon ambassadeur in afwachting van de komst van Aytona. De kardinaal zou een stilstand maken te Milaan, waar hij hoopte gouvemeur te worden, in het geval dat er vrede zou gesloten worden in Italië en Spinola opnieuw naar de Nederlanden zou komen448•
444 Lagonissa aan Barberini, 22/9/1629 (NdF XI, 447)
445 Isabella aan Filips IV, 28/9/1629 (CCE ll, 1487)
446 Lagonissa aan Barberini, 29/9/1629 (NdF XI, 452)
447 La Cueva aan ?, 9/10/1629, gelezen 29/10/1629 (AGS E 2043, f.205)
448 Lagonissa aan Barberini, 20/10/1629 (NdF XI, 468)
Op 30 oktober schreef la Cueva een brief gericht naar Olivares, waarin hij op het belang duidde van het behoud van de autoriteit van de ministers in de Zuidelijke Nederlanden, toen meer dan ooit. Hij vroeg om een blijk van begunstiging (demostracion de fabor) om de verdenk:ing ongedaan te maken dat zijn reis naar Rome een vorm van vlucht zou zijn. Voor de zoveelste keer vroeg hij om geld en maakte zijn plannen kenbaar om, onderweg naar Rome, een omweg te maken langs Spanje, waar hij een bezoek zou brengen aan zijn hacienda, en waar hij zich wou melden aan het hof, om alle schaduwen te laten verdwijnen die op hem rustten door de gebeurtenissen van de laatste tijd 449 • La Cueva meende dat het Zuidnederlandse volk nog veel weg had van barbaren. Ze kenden geen respect voor autoriteiten en complotteerden tegen personen in verheven ambten. De sehuid van van den Bergh, die de 's Hertogenbosch niet ter hulp schoot, stond voor de ambassadeur als een paal boven water450 • Aytona, die in november in de Zuidelijke Nederlanden was aangekomen451 , bekeek de Zuid-Nederlanders op een andere manier. Het volk hield volgens hem van de koning, maar haatte het regeren in junta's en la Cueva. Volgens hem zou het een goedeoplossing zijn om ingezetenen toe te laten in de junta's, enk:el aan die prijs kon men de Zuidelijke Nederlanden behouden452 •
Filips IV begon zijn geduld te verliezen met la Cueva en droeg Isabella op, het loon van la Cueva vanaf december over te dragen aan de markies van Aytona453• Ter zelfde tijd liet de koning de kardinaal verstaan dat, nu la Cueva het gevraagde geld ter zijner beschikking had, de vorst uitstel noch wederwoord meer duldde454 • Filips IV droeg tevens aan de markies van Mirabel op alle Spaanse ministers, waaronder hij duidelijk la Cueva en Coloma vernoemde, die uit schrik gehandeld hadden, te laten verstaan dat ze onjuist hadden gereageerd. De ondergeschikten moesten ruwweg berispt worden en diegenen die zwaar beschuldigd werden, moesten op het geschikte ogenblik gestraft worden. Ook Isabella werd verzocht dit uit te voeren, en wel zonder enig uitstel455 • Het is onduidelijk ofla Cueva hiervan de gevolgen droeg.
Eind januari 1630 ontving Isabella de instructies van de koning die inhielden dat la Cueva zich moest terugtrekken uit de politiek, dat hij alle documenten van de ambassade moest overdragen aan Aytona en zijn vertrek naar Rome moest aanvatten456 • De Infanta meldde daaropvolgend aan Filips IV dat de kardinaal zich
450 La Cueva aan Filips V. 30 II0/1629 (CCE II. 1501)
451 Isabella aan Filips IV, 14/ III1629 (CCE II. 1513)
452 Aytona aan Olivares. 13/ III1629 (CCE II, 1507)
453 Filips IV aan Isabella, 27/ II/1629 (AGS E 2236. f.215)
454 Filips IV aan la Cueva. 27/ III1629 (AGS E 2236. f.218)
455 Filips IV aan Mirabel. 27/ III1629 (AGS E 2236, f.217)
456 Filips IV aan Isabella, III12/1629 (AGS E 2236. f.242) Consulta Consejo de Estado. 14/2/1630 (AGS E 2044. f.l76)
vanaf de aankomst van Aytona onthouden had van zaken die de ambassade aan belangden en dat la Cueva de vorst had aangeschreven om een machtiging te verkrijgen zodat hij de papieren kon overdragen. Tevens verdedigde de landvoogdes la Cueva in verband met zijn uitgestelde vertrek. Ze maakte de koning er attent op dat de kardinaal een grote som geld schuldig was aan een aantal van zijn buren in Brussel, die hem niet lieten gaan voor het bedrag vereffend was. Noch om zijn schulden in te lossen, noch om zijn reis te betalen, bezat de ambassadeur voldoende geld. Hij wachtte op bijstand uit Madrid.
Isabella somde een reeks positieve eigenschappen op van de kardinaal: hij was lid van de Raad van State, hij getuigde van een hoog niveau, veel kwaliteiten en talent, hij was afkomstig van een hoog aangeschreven familie, hij had steeds gehandeld in rechtschapenheid, met ijver en zorg en werkte hard in dienst van de Spaanse koning. Ze wees er op dat het groot nieuws zou zijn indien de ambassadeur nu uit de politiek geweerd zou worden en daarom had de Infanta besloten dat la Cueva kon doorgaan met deel te nemen aan de zittingen van de raad in het paleis. Ze vertrouwde er op dat de koning het hiermee eens zou zijn. Ook vermeldde ze dat de vergaderingen van junta's en raden niet meer doorgingen in het huis van de ambassadeur, maar op het paleis, en dat die gewoonte reeds was veranderd voor dat Filips IV hiertoe een verordening uitschreef.
De Consejo de Estado besloot in februari Filips IV te vragen Bedmar het nodige geld te zenden, zodat hlj daarna naar Rome kon vertrekken, waar zijn aanwezigheid belangrijker was voor de koning dan in de Zuidelijke Nederlanden457• Maar twee maanden later kampte la Cueva nog steeds met een geldtekort. Volgens Isabella had hij zijn meubels verkocht, maar had hij daar niet genoeg aan over gehouden om zijn schulden afte betalen. De Infanta besloot uiteindelijk zelf de kardinaal bij te staan458 • La Cueva was niet de enige Spanjaard met geldproblemen. Mirabel beweerde dat hlj niet kon terugkeren naar zijn ambassadeurspost te Parijs wegens een t kort aan middelen459•
De graaf van Oñate vertegenwoordigde de mening van de meeste raadsleden van de Consejo de Estado, toen hlj in de Raad zei dat hlj voorstander was van de markies van Aytona te laten blijven in de Zuidelijke Nederlanden om de financiën te beheren en een politieke voortrekkersrol te spelen. Ook drong Oñate aan de markies van Mirabel nog niet terug naar Parijs te zenden, omdat la Cueva van geen groot nut meer was in Brussel, hlj was immers al bijna onderweg en werd slecht bejegend door het Zuid-Nederlandse volk460 •
Eind november 1630 schreef la Cueva dat hlj nog steeds weerhouden was in Brussel, met het nodige ongenoegen en onbehagen tot gevolg, waaraan hlj toevoegde dat men
458 Isabella aan Filips IV, 6/4/1630 (CCE II, 1604)
459 Mirabel aan Olivares, 28/4/1630, ge1ezen te Madrid 15/5/1630 (AGS E 2044, f.69)
46°Consulta Consejo de Estado, 21/6/1630 (AGS E 2044, f.4l)
m Rome al een huis voor hem had voorzien, wat nogmaals bijkomende kosten betekende461 •
Een junta in Spanje, bestaande uit de graaf van Oñate, de graaf van Castrillo en raadslid Pieter Roose, maakten een evaluatie over de ministers in de Zuidelijke Nederlanden, die zeer algemeen en heel ongunstig was. De ministers gedroegen zich als soevereinen tussen de koning en de staten, terwijl ze eigenlijk de vorst moesten dienen. De junta maakte een onderverdeling in verschillende categorieen. De eersten ontvingen onbeschaamd giften van de staten en beloonden hen publiekelijk. Ze gaven er niet om beschuldigd te worden, noch vreesden ze straffen. Deze ministers verwezen naar de verdorvenheid van die tijd en profiteerden van hun verworvenheden zoals ook van de giften die ze kregen van de Spaanse vorst. De tweede categorie had de mond vol over het dienen van de koning en beschuldigden de eerste soort ministers. Nochtans kregen ook zij prerogatieven toebedeeld en deelden ze er uit, op een even of nog meer schadelijke manier dan de eersten. Ze gebruikten het voorwendsel hulp te verstrekken, ontvingen grote gi:ften en vergoedingen, ook van de vorst en via buitengewone wegen. De derde categorie paste de methodes van de beide eersten toe, zich aanpassend aan de gelegenheid. Allemaal dienden ze hun eigen belangen, behalve dat de één gemiddeld stal en de ander zeer veel. De junta besloot dit onderdeel van haar verslag over de toestand in de Zuidelijke Nederlanden met te stellen dat als de ministers toen de belangrijkste oorzaak waren van het kwade, ze ook de belangrijkste oorzaak konden zijn van het goede. Er diende voor gezorgd te worden dat de ministers goede mannen waren, plooibaar ter beschikking van de koning door middel van respect, beloning en bestraffing, en gemachtigd om de oprechte bedoelingen van de vorst tot uitvoering te brengen, zonder dat toegelaten werd dat welke persoon ook, uit zou zijn op zijn eigen voordeel of minder geapprecieerd werd in het uitoefenen van zijn werk462 •
Begin 1632 arriveerden er berichten te Madrid over het gebrek aan eensgezindheid tussen de belangrijkste ministers van de Zuidelijke Nederlanden. Waardoor deze discordantie ontstond, is niet duidelijk. Olivares gaf Isabella opdracht om doortastend op te treden om zo de meningsverschillen op te lossen463• De Infanta verdedigde de ministers door te schrijven dat er altijd gelijkheid had geheerst tussen hen en dat ze niet de neiging hadden zich met zaken in te laten die hen niet aangingen. Isabella zegde voorts toe de richtlijnen van de koning uit te voeren464•
462 Verslag van de jtmta over zaken betreffende de Zuidelijke Nederlanden, 22/12/1631 (AGS E 2045,
f.76-79)
463 Consulta Consejo de Estadp, 15/2/1632 (AGS E 2046, f.14)
464 Consulta Consejo de Estado, 14/6/1632 (AGS E 2046, f.6-7)
In mei 1632 meende de staatssecretaris van het Vaticaan te hebben verstaan dat la Cueva had besloten te vertrekken. Hij zou incognito reizen via Zwitserland465 • Maar nog geen maand later wist Lagonissa dat la Cueva niet wou vertrekken naar Rome, en daar hij in Spanje ongewenst was, zou hij in de Zuidelijke Nederlanden blijven466•
In juni werd la Cueva echter beledigd in zijn huis door een burger die hem uitschold voor verrader en hem beschuldigde de oorzaak te zijn van de neergang van de Zuidelijke Nederlanden. De man was, naar het schijnt, gewapend, schreefLagonissa in zijn correspondentie met Rome. La Cueva had zo veel schrik gekregen, dat hij niet meer uitging, ook niet om naar de kapel van het paleis te gaan. Lagonissa voegde er aan toe dat de burgerij erg vijandig stond tegenover 'ce personage'467•
Twee weken later schreef de nuntius naar Rome dat de ambassadeur nog steeds zijn huis niet verliet. Hij betaalde zijn schulden af en het gerucht ging dat hij zich klaar maakte om te vertrekken. Lagonissa was echter van mening dat het om een eenvoudige opwelling ging. De landvoogdes apprecieerde la Cueva niet meer zoals in het begin en ze wenste dat hij zou afreizen, om zo het volk voldoening te schenken dat zelfs zijn naam haatte468• Een bode uit Spanje leverde nogmaals het bevel voor de kardinaal om te vertrekken. De Infanta bracht la Cueva het bericht over via de staatssecretaris. Bedmar maakte kenbaar dat hij van plan was zich eerst naar Milaan te begeven, voor hij naar de bezittingen van Bagno, oud-nuntius in de Zuidelijke Nederlanden, in Rome zou gaan469 • Van juli tot september bleef de kardinaal twijfelen en zijn afreis uitstellen, maar bij het begin van de herfst was hij dan toch vertrokken, over Parijs en Milaan, naar Rome. lsabella gaf hem een aantal geschenken mee: een koets met drie betrekkelijk goede muilezels, een kruis bezet met diamanten en zes rochetten, met een gezamenlijke waarde van vierduizend écus470•
466 Lagonissa aan Barberini, 25/5/1632 (NdF XI, 890)
467 Lagonissa aan Barberini, 2216/1632 (NdF XI, 904)
468 Lagonissa aan Barberini, 6n/1632 (NdF XI, 909)
469 Lagonissa aan Barberini, 13/7/1632 (NdF XI, 9 II)
470 Lagonissa aan Barberini, 2 II9/1632 (NdF XI, 951)
3.2 Noordelijke Nederlanden
3.2.1 Oorlog te land
Na de verovering van Breda was Filips IV enkel bereid een vredesbestand te sluiten op onmogelijke voorwaarden voor de Noordnederlanders. De consequentie daarvan, opnieuw oorlog voeren, werd maar halfslachtig gedragen door Madrid. Nadat Olivares voor een defensieve opstelling had gekozen voor de Zuidelijke Nederlanden, werden de financiële middelen voor het leger teruggeschroefd. Het Noorden daarentegen ging in het offensief, mede dankzij steun uit Parijs. In augustus 1626 veroverden de Staatsen Oldenzaal en een jaar later werd Groenlo gewonnen op de Spanjaarden. Spinola en Isabella vroegen Madrid tevergeefs nadrukkelijk om meer geld. Eind 1627 verkreeg de opperbevelhebber toestemming om de situatie in de Nederlanden in Madrid te gaan toelichten. Hij zou niet meer terugkeren. In datzelfde jaar kende de Spaanse staatskas een bankroet en op 8 september 1628 veroverde de Staatse Piet Heyn de zilvervloot. Isabella schreef in paniek naar Spanje dat door het uitblijven van de soldij, de militairen massaal dreigden te muiten. Filips IV zag zich genoodzaakt de Infanta toestemming te geven te onderhandelen met de Noord-Nederlands op basis
van de bepalingen van 1609471 . Doordat de Staatsen nu echter zeer warm bij kas zaten,
planden ze in tegendeel een grote invasie. Isabella zag het aankomen en vreesde het ergste vanwege het geldtekort en ook vanwege het gemís van Spinola. De legerleiding was na zijn vertrek verdeeld tussen graaf Hendrik van den Bergh, generaal van de artillerie en luitenant-generaal van de cavalerie, en Don Carlos Coloma, gouvemeur en bevelhebber van de citadel van Kamerijk. Dit wakkerde in het leger de bestaande tegenstellingen tussen Spanjaarden en Zuidnederlanders aan, wat leidde tot een blokkering in de verdediging van 's Hertogenbosch, dat midden september 1629 in handen viel van de Noordnederlanders, ondanks de kortstondige keizerlijke militaire hulp. Een maand voordien was ook Wesel verloren gegaan, zodat de Republiek haar oostgrens nog beter wist te verdedigen tegen een eventuele aanval uit het Rijk472•
In 1630 namen beide Nederlandse legers een defensieve houding aan. De Spaanse wissels werden opnieuw regelmatig uitbetaa1d en in 1629 reeds waren de licenten opnieuw ingevoerd473• De veldtocht van 1631 eindigde zonder tastbare resultaten: zowel een Spaanse aanval op Zeeland als een Staatse inval in Vlaanderen waren mislukt.
Door het verraad van de gouvemeur van Gelderland, Graaf Hendrik van den Bergh, die na de ongelukkige veldtocht van 1629 als opperbevelhebber was ontslagen, zette het Staatse leger echter in 1632 een triomfantelijk offensief in tegen de Spaanse Maasvestigingen:
472 R VERMEIR, pp.ci!, pp.Sl-53.
473 Zie infra pp.l03-104
Venlo, Stralen, Roermond en Sittard vielen zonder slag of stoot in Staatse handen. Ook Maastricht werd, na een langdurig beleg, tot overgave gedwongen. Daama volgden nog de val van Limburg en van de landen van Overmaas. In november viel tenslotte nog de Kleefse vestiging Orsooy aan de Rijn. Het Spaanse leger stond machteloos: het veldleger was te zwak om een ontzet te wagen, terwijl de legerkorpsen in Vlaanderen, aan de Franse grens en in Namen-Luxemburg niet zonder gevaar konden worden weggetrokken474 •
La Cueva bracht verslag uit over het geringe belang van het verloren Oldenzaal maar dat het toch gewenst was het te heroveren475, over de gebeurtenissen van het Rijnleger met aan het hoofd Hendrik van den Bergh476, over het vertrek van de Staatsen op veldtocht in april 1627477, over de dreigende muiterij in Breda en Gelderen eind 1628478 •
De Consejo de Estado antwoordde dat ze deden wat in hun macht lag, toen la Cueva bericht had uitgebracht dat de Staatsen zich voorbereidden op een grotere veldtocht dan hetjaar voordien479• Eind april1629 maakte la Cueva gewag van zijn vermoeden dat het Staatse leger naar 'Bolduque', 's Hertogenbosch zou kunnen optrekken. De troepen van de Republiek waren gesignaleerd in de buurt van Nijmegen480• Later berichtte hij verscheidene keren over de belegering van 's Hertogen Bosch en vroeg in dat verband naar meer geld481 •
De ontreddering was groot in de Zuidelijke Nederlanden bij het horen van het bericht van de kaping van de zilvervloot, schreef la Cueva op 2 december. Ze vreesden dat er geen geld zou zijn voor het leger terwijl dat van de vijand er in overvloed zou hebben. La Cueva sprak dan ook met zekerheid over een toekomstige muiterij. Hij maakte gewag, in geval van het uitblijven van de soldij, vaneen revolutie482 •
De Zuidnederlandse raden hadden geld geleend en de Staten van Brabant hadden een bepaald bedrag toegezegd, zodat er genoeg was om de militairen de helft van hun
475 Consulta Consejo de Estado, 4/ III1626 (AGS E 2040, f.15)
476 Consulta Consejo de Estado, 20/9/1626 (AGS E 2040, f.30)
477 Consulta Consejo de Estado, 4/4/1627 (AGS E 2041, z.f.)
478 Consulta Consejo de Estado, 2 III2/1628, gelezen te Madrid 4/ III629 (AGS E 2043, f.242)
479 Consulta Consejo de Estado, 21/2/1629 (AGS E 2043, f.302-319)
480 La Cueva aan Filips IV, 29/4/1629 (AGS E 2043, f.41)
481
La Cueva aan Filips IV, 3/5/1629 (AGS E 2043, f.44) Consulta Consejo de Estado, 15/5/1629 (AGS E 2043, f.49-60) Consulta Consejo de Estado, 23/6/1629 (AGS E 2043, f.299)
La Cueva aan Filips IV, 917/1629, gelezen te Madrid 22/7/1629 (AGS E 2043, f.295) La Cueva aan Filips IV, 1717/1629, gelezen teMadrid4/8/1629 (AGS E 2043, f.127) Consulta Consejo de Estado, 2417/1629 (AGS E 2043, f.285-286)
482 La Cueva aan Filips IV, 2/12/1628, gelezen te Madrid 22/12/1629 (AGS E 2043, f.236)
soldij uit te keren en graafHendrik op campagne kon vertrekken. La Cueva schreef dat het water de versterkingen van de vijand voor 's Hertogenbosch had aangetast, maar hij was er zeker niet gerust in; op 3 juni merkte hij op dat voor de verdediging van de stad hulp van de keizer nodig zou zijn, en voor het onderhoud van deze troepen en de andere, herhaalde hij, was er geld nodig. Twee dagen later maakte la Cueva melding bij Madrid van de aanvallen van de Staatsen op enkele nieuwe versterkingen. Grobbendonck, gouvemeur van 's Hertogen Bosch, wist de aanvallen af te slaan, waarbij er achthonderd mannen sneuvelden, 'en ook een aant?l van de onze'483•
Alhoewel Filips IV ervan uitging dat Isabella alles zou doen om 's Hertogen Bosch te verdedigen, drukte hij ook la Cueva op het hart dat hij van zijn kant alles moest doen met het oog op het behoud van de stad. De vorst verwees hierbij naar de aanwijzingen die hij de landvoogdes gestuurd had en vroeg de kardinaal te blijven bericht uitbrengen van alles water gebeurde484 •
De kardinaal schreef in een brief aan Don Juan de Villela, dat hoewel men in Madrid misschien dacht dat zijn standpunt over de oorlog was gebaseerd op de onwetendheid over de gesteldheid van de schatkist, hij wel degelijk volledige informatie te zijner beschikking had. In deze toestand zou geen enkele prins zich kunnen handhaven in vrede noch oorlog. De kardinaal was van oordeel dat er desondanks toch een manier moest worden gevonden om het Spaanse rijk te onderhouden, want hoewel het zeer zwaar zou zijn, zou het onoverkomelijke verlies van alles nog erger zijn. Hij voegde er aan toe dat hij bereid was deze uiteenzetting uit te breiden485•
Op 19 augustus was Wesel gevallen. De Spanjaarden en Walen die ingezet waren voor de verdediging, waren klein in aantal, terwijl de Duitsers, die talrijk waren, weigerden de stad afdoende te beschermen, zodat de vijand zich snel meester maakte van de plaats. Volgens la Cueva werd de vijand aangemoedigd door het zien van de lusteloosheid van de hoofden van het Spaanse leger. De ondememingen van de vijand kenden geen enkel beletsel, wat van die in dienst van de koning niet 1\on gezegd worden. Als de garnizoenen en het leger niet beter betaald werden, kon men een vervolg verwachten op Wesel486• In plaats van de kardinaal mee te delen wat hij moest ondememen in de oorlog, verwees Filips IV in zijn brieven aan la Cueva naat de instructies die hij naar Isabella zond, en beklemtoonde dat de kardinaal zich naar Rome moest begeven487•
484 Filips IV aan la Cueva, 10/7/1629 (AGS E 2236, f.143)
485 Consulta Consejo de Estado, 26/8/1629 (AGS E 2043, f.66)
486 Overzicht van de laatste berichten uit de Zuidelijke Nederlanden, ontvangen op 22/9/1629 (AGS E
2043, z.f.)
487 Filips IV aan la Cueva, 1/9/1629 (AGS E 2236, f.172) Filips IV aan la Cueva, 27/9/1629 (AGS E 2236, f.191)
In oktober 1629 maakte la Cueva gewag bij Filips IV over de onwil of onkunde van den Bergh om goed te presteren met het leger488• Op het einde van die maand rapporteerde la Cueva bij de koning over hoe van den Bergh, ondanks het gebod van Isabella dat hij zijn leger niet mocht verlaten, toch naar Brussel was gekomen. De Infanta wees hem terecht maar toch bleef van den Bergh bijna twee dagen. Het was nodig dat de kardinaal en Don Carlos Coloma van den Bergh ontvingen en hem aanstelden om te bemiddelen over een bestand, om zo erger kwaad te vermijden. La Cueva verdacht van den Bergh er opnieuw van samen te spannen met de prins van Oranje. De bevelhebber trachtte vrede te sluiten, wat naar de wens van het volk was volgens hem, zodat de Zuid-Nederlanders zijn eerdere fouten zouden vergeten. Van den Bergh was echter nodig in 's Hertogen Bosch. De kardinaal stuurde hem daar naar toe om hulp te hieden, de grens te beveiligen en de onrust bij het volk af te remmen, maar de graaf weigerde te gaan, met het gekende resultaat. La Cueva vervolgde in zijn brieven met uitgebreide verslagen over de toestand van het leger en de ondememingen van Hendrik van den Bergh na de val van de belangrijke stad489•
Na de blijvende negatieve berichten van la Cueva over van den Bergh, stuurde Filips IV deze brieven door naar Isabella, voor het geval zij hier niet van op de hoogte zou geweest zijn, en droeg haar opte handelen naar haar eigen inzichten490 •
3.2.2 Vredesonderhandelingen
Door middel van de Roosendaal-onderhandelingen, waarvan Spinola de bepleiter werd in Madrid, werd er opnieuw gesproken tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden over een eventueel bestand. Kesseler, de vertegenwoordiger van de Infanta bij de besprekingen, rapporteerde aan Madrid dat de Noord-Nederlands niet langer stonden op de erkenning van de Verenigde Provinciën als vrije provinciën, zoals in de bestandsvoo!Waarden van 1609 was opgenomen. Dit impliceerde dat ze bereid zouden zijn om minstens een nominale band met Filips IV te aanvaarden. Op 1 mei 1628 zond de vorst een lijst naar de Spaanse Nederlanden met zijn voorwaarden voor een vredesovereenkomst, ingefluisterd door Olivares en die de hoop op een bestand niet erg groot maakten. De Staatsen toonden zich echter welwillend aan de onderhandelingstafel, misschien uit een latente vrees voor Duitse inmenging in de Nederlandse oorlog. Op 15 juli toonde de Staatse partij te Roosendaal zich bereid een twaalf of twintig jaar durend bestand te aanvaarden, waarbinnen vredesvoorwaarden konden worden uitgewerkt. Ze verklaarden zich akkoord de clausule over de vrije provinciën te laten wegvallen. De meerderheid van de Consejo de Estado was te vinden voor het voorstel. Olivares was tegen en probeerde tijd te winnen. Isabella kreeg de vrije hand in de onderhandelingen, maar in de realiteit werd ze opgedragen te
489 Consulta Consejo de Estado, 29/ III1629 (AGS E 2043, t:284)
490 Filips IV aan Isabella en Mirabel, 17/ III1629 (AGS E 2236, t:212)
wachten tot de keizer zou breken met de Staatsen. De Infanta was ontgoocheld, gedurende de zomer hadden de rebellen zich flexibel opgesteld maar hun houding veranderde in de herfst, na de kaping van de zilvervloot.
Na de verschillende overwinningen van de Staatsen op het Nederlandse slagveld en daar bovenop de verovering van Pernambuco samen met het verdrag waarin de Fransen financiele steun beloofden aan de rebellen, was het in juli 1630 uitgesloten dat er een bestand zou gesloten worden. De gesprekken te Roosendaal werden afgesloten zonder resultaten491•
Bij het begin van de hernieuwde dialoog, lek la Cueva zijn standpunten ten aanzien van een vredesverdrag te hebben versoepeld. Hij was van mening dat indien de Staatsen de clausule over hun vrijheid lieten vallen en er aanpassingen kwamen betreffende de Indien, het mogelijk was tot een overeenkomst te komen492 • Ook in de Consejo de Estado werd de verandering in de houding van de ambassadeur opgemerkt. Messia stelde voor la Cueva deze materie te laten behandelen, waarvan hij verslag zou uitbrengen samen met de standpunten van de landvoogdes493• Filips IV verzocht hem in juni 1627 meer uitleg te geven over zijn voorstel betreffende het niet erkennen van de vrijheid van de rebellen, omdat het een essentieel punt was en la Cueva er zich dubbelzinnig over had uitgelaten494• Vier maanden later liet de vorst zijn verbazing blijken aan Spinola en la Cueva over het gebrek aan resultaten bij de onderhandelingen. Isabella kreeg hiervoor een onbeperkte volmacht 495 •
Eind juni 1629 bleek uit een brief aan de koning dat la Cueva nauw betrokken was bij de onderhandelingen. Hij vatte de voorwaarden die Filips IV gesteld had samen:
1) vrije beoefening van de katholieke godsdienst en opening vart de Sche1de
2) het vermijden van de erkenning van de Verenigde Provincien als vrije staten, zoáls dat in het vorige bestand gebeurd was
3) verbod voor de Noord-Nederlands om naar de Westelijke Indien te varen noch met vredes-, oorlogs- of handelsdoeleinden
4) teruggave van de veroverde gebieden in de beide Indien die tijdens de nieuwe oorlog waren ingenomen
5) hetzelfde gold voor plaatsen die datjaar ingenomen zouden worden
6) ontbinding van de W.I.C.
7) geen oorlogsacties in de Portugese bezittingen van de Oostelijke Indien, waar de Filipijnen bijhoren
8) Breda mocht worden overgedragen aan de rebellen, 's Hertogen Bosch niet
492 Consulta Consejo de Estado, s.d. (AGS E 2041, z.f.)
493 Consulta Consejo de Estado, s.d. (AGS E 2041, z.f.)
494 Filips IV aan la Cueva, 15/6/1627 (AGS E 2235, f.272)
495 Filips IV aan Isabella, 30/10/1627 (CCE II II23)
No hay comentarios:
Publicar un comentario