2.1.2 Zuidnederlandse handel in Spaanse gebieden
La Cueva was de Zuid-Nederlanders niet altijd slecht gezind en dat liet hij in 1622 blijken door te pleiten voor de invoer van Vlaamse handelsproducten in Spaanse gebieden. De Spanjaarden lieten de producten van Doornik niet toe in hun havens, wat de bewoners van deze stad uiteraard schade berokkende. De inwoners vroegen de vorst, via Isabella, om certificaten uit te schrijven, zodat de havens gedwongen werden tot vrije handel. De contracten van Rijsel namen toe, schreef Bedmar, waardoor ook Antwerpen onrechtstreeks bevoordeeld zou worden280 •
In een vorige brief had hij al e rder de praktijken aangeklaagd waarbij Vlaamse producten in beslag werden genomen onder het voorwendsel dat ze van Noord-Nederlandse
274 Consulta Consejo de Estado, 24/8/1625 (AGS E 2039, f.27)
275 Filips IV aan la Cueva, 2/9/1625 (AGS E 2234, f.330)
276 Inojosa was een gezant van de Spaanse koning in Engeland
Bagno aan Barberini, 12/12/1625 (NdF V, 1443)
277 Consulta Consejo de Estado, 24/8/1625 (AGS E 2039, f.27)
278 Isabella aan Filips IV, 8/ III1625 (CCE Il, 761)
Consulta Consejo de Estado, 25/ II/1625 (AGS E 2039, f.8)
279 Filips IV aan Isabella, 29/ II/1625 (AGS E 2234, f.385)
28° Consulta Consejo de Estado, 22/8/1622 (AGS E 2036, f.44)
rebellen zouden afkomstig zijn, ondanks bewijzen van het tegendeel. De Vlamingen vroegen een schadevergoeding. Bedmar was geneigd hen die toe te staan omdat Vlaanderen de rijkste Zuidnederlandse provincie was, die meer belastingen afdroeg dan de andere provincien verenigd 281 • Filips IV antwoordde hierop aan Isabella dat het een feit was dat de Noord-Nederlands zich van tussenpersonen bedienden om hun artikelen uit te voeren. Daarom stelde de vorst voor om een functionaris te benoemen in de Zuidelijke Nederlanden, die de produkten, bestemd voor de uitvoer, zou registreren, zoals voorheen de proveedor Antonio Jauregui had gedaan. Filips IV vroeg Isabella om haar mening 282• Deze verlangde van la Cueva meer uitleg over de handel van de trouwe provinciën met Spanje. Daarna verordende ze de bijeenkomst vaneen junta in het huís van de ambassadeur (dat toen nog niet was uitgebrand) met Juan de Villela, secretaris, Jan van de Wouwer, thesaurier-generaal en Jan Kesseler, lid van de Raad van Financien. Bedmar zou de nodige documenten verzamelen en onderzoeken wat Jauregui verricht had283•
Drie maanden later schreef hij de koning aan omwille van het smeekschrift van de steden Brussel, Antwerpen, Doornik, Mechelen en Rijsel. Op II februari 1623 had men vanuit Madrid de situatie nog verergerd, door de invoer en verkoop in Spanje, van bijna alle in de Zuidelijke Nederlanden geproduceerde goederen, te verbieden. Bovengenoemde steden hadden geprotesteerd bij de Infanta en bij de ambassadeur. La Cueva beval hun verzoek aan en wees Filips IV nogmaals op de belangrijkheid van deze provinciën wegens de hoeveelheid geld die ze bijdroegen aan de schatkist284 •
De Junta de Comercio van Madrid reageerde op de klachten van de Zuid-Nederlandse handelaars, waarvan la Cueva de woordvoerder was. Jan van de Wouwer had voor de junta een rapport opgesteld over de Zuidnederlandse producten die werden ingevoerd in Spanje. De junta stelde daarop voor om het merendeel van de artikelen van de lijst (o.a. linnen, bombazijn, tapijten, draad) toe te laten in de havens285•
Een jaar later waren er echter nog steeds klachten van Zuid-Nederlandse handelaars, die Bedmar uitte bij Filips IV. Ditmaal rees er protest vanwege het lastig vallen van de factoren van de steden. De koning antwoordde dat de zaak in behandeling was en dat la Cueva op de hoogte zou worden gesteld als er een beslissing werd genomen286 •
282 Filips IV aan Isabella, 1217/1622 (CCE ll, 284)
283 Bedmar aan Filips IV, 13/8/1622 (CCE ll, 300)
284 Ia Cueva aan Filips IV, 1/6/1623 (CCE II, 406)
285 Consulta Junta de Comercio, 4/3/1624 (CCE ll, 464)
286 Filips IV aan la Cueva, 20/2/1625 (AGS E 2234, f.l77)
2.1.3 Staat van de financiën en leger
Vanaf begin 1622 vroeg Filips IV aan la Cueva met aandrang het verslag over de staat van de koninklijke financien in te leveren287• Bedmar meldde hem dat de raad van Financiën bezig was met de opmaak ervan, maar dat het nog eventjes kon duren voor het voltooid zou zijn288 • Toen de vorst na negen maanden geen rapport had ontvangen, dreigde hij ermee bij Isabella om geen geld meer te besteden tot de staat was opgemaakt. Deze overzichten van de inhoud van de schatkist, werden ook opgevraagd in de Indien en delen van Italië289 •
Op 7 maart 1623 bracht Isabella bericht uit aan Filips IV dat la Cueva het verslag zou oversturen290.
In september 1623 kwamen er misbruiken boven water, gepleegd door Hurtuno de Ugarte, de pagador general, die de uitbetalingen verzorgde in het lege?91• Een lid van de Junta de Hacienda bracht Filips IV bericht uit van de wantoestanden, die in het nadeel werkten van de koninklijke financiën en de koning zelf. De resultaten van het onderzoek werden onder ogen gebracht van la Cueva en Spinola. De kardinaal stelde voor om het commissielid naar Spanje te sturen om daar de zaak persoonlijk uiteen te zetten, maar la Cueva had nog niets definitief beslist en de schade werd groter. De minister (om welk junta-lid het gaat is niet duidelijk) vroeg rechtstreeks toestemming aan de vorst voor zijn afreis naar Madrid, wat hem niet onmiddellijk werd toegestaan, en drong er op aan dat men zich in Spanje niet zou laten bemvloeden door de contacten van Ugarte en zijn vervanger Thomas de Mendieta292 • De vorst reageerde door alle nodige documenten ter beschikking te stellen van la Cueva en Spinola. Hij verzocht hen de zaak grondig te onderzoeken en maatregelen voor te stellen293•
In 1625 stelde de koning vast dat ook de veedor general zich niet aan zijn instructies en taken hield en zich liet verleiden tot malafide zaken. Filips IV deelde Isabella
288 Bedmar aan Filips IV, 18/ III622 (CCE ll, 174)
289 Filips IV aan Isabella, 12/1/1623 (AGS E 2233, f.301)
290 Isabella aan Filips IV, 7/3/1623 {CCE ll, 386)
291 J. LEFEVRE, "LMinistere Espagnol...", pp.216-217.
292 Consulta Consejo de Estado, 3/9/1623 (AGS E 2037, f.26)
293 Filips IV aan Isabella, 14/9/1623 (AGS E 2233, f.376)
schikkingen mee, waarvan de ambassadeur er een aantal van moest uitvoeren, welke zijn ons niet bekend294 •
De oorlogstijd bracht veel overlast mee voor de onderdanen van de Zuidelijke Nederlanden en daar had Filips IV aandacht voor. Hij droeg la Cueva op oplossingen te zoeken voor de betaling van bijdragen en het onderdak hieden aan soldaten295•
295 Filips IV aan la Cueva, 25/5/1625 (AGS E 2234, f.246)
2.2 Noordelijke Nederlanden
2.2.1 Onderhandelingen voor een nieuw bestand
In de periode 1622-1625 gingen de vredesgesprekken voort, maar op een veel lager pitje. De kansen op succes waren klein en dat beseften de onderhandelaars ook. La Cueva had zich in de vorige periode ontpopt tot een fervent tegenstander van een bestand met de Noord-Nederlands, en hoewel hij meewerkte aan de onderhandelingen, zou het niet met hart en ziel zijn.
In juni 1623 kwamen er berichten uit Madrid waaruit bleek dat men geneigd was de gesprekk:en te hervatten. La Cueva, Spinola en Peckius waren de enigen die volledig op de hoogte waren en de zaak behandelden. Ondanks de geheimhouding wist de nuntius dat Spanje niet bereid was de Franse koning te laten berniddelen tussen de twee partijen. Bagno voelde zich genoodzaakt de Franse ambassadeur in te lichten omdat hij van mening was dat Hendrik IV er belang bij had bij de vredesgesprekken betrokken te zijn. De nuntius zag in dat de kans dat de gesprekken tot een bestand zouden leiden, bijzonder klein was. Hij maakte Isabella de mening van de paus kenbaar en de landvoogdes gaf toe dat enkel een gebrek aan middelen om oorlog te voeren, de onderhandelingen niet te verantwoordde.
Bagno dacht dat Spinola enkel hevige voorstander was van een bestand in de Nederlanden en interventie in het Heilig Roomse Rijk, omdat hij, door de nederlaag in Bergen-Op-Zoom afkerig wás geworden van elk contact met de Noord-Nederlands, en (vooral) omdat hij zijn titel van generaal van het Duitse leger wilde behouden. Bedmar was dezelfde mening toegedaan en verklaarde Spinola's houding door persoonlijke belangen. Verder beloofde la Cueva dat hij niet zou instemmen met een bestand, waarvan de voorwaarden de 'reputación' van de Spaanse koning niet respecteerden 296.
Een week later ontving la Cueva een brief uit Spanje waaruit bleek dat de koning een eventueel bestand gunstig gezind was. De kardinaal probeerde in zijn antwoord Filips IV te overtuigen van het tegendeel. Bagno schreef in dezelfde zin naar de nuntius in Madrid. Hij vreesde, en het is waarschijnlijk dat la Cueva daar volledig mee instemde, dat er niet vanzelf een vrijheid van godsdienst zou heersen in de Noordelijke Nederlanden, eens men tot een vredesakk:oord was gekomen. Daar gingen de Spanjaarden namelijk van uit. Tijdens het twaalfjarig Bestand, redeneerde Bagno, bestond er immers ook geen vrije godsdienstuitoefening. De Noordnederlanders beloofden veel, maar voerden weinig uit. De Infanta bracht daar tegen in dat ze niets anders deed dan de bevelen uit Madrid uitvoeren en dat het onmogelijk was om een oorlog te voeren zonder geld297 Nu bleek het toch een argument van doorslaggevende aard.
Ondanks de eisen van de nuntiussen te Brussel en Madrid om de uitoefening van de katholieke godsdienst als basisvoorwaarde te stellen voor de vredesonderhandelingen, was dat, volgens Bagno, bij de Zuid-Nederlandse onderhandelaars hun laatste bekommernis. Bagno prees zich gelukkig dat la Cueva een hevige tegenstander was van een bestand298•
In oktober kwam dan voor la Cueva, Bagno, de Spaanse ministers en officieren uit Spanje het verheugende bericht dat de onderhandelingen moesten worden stopgezet. Spinola en de aartshertogin legden zich bij de beslissing van de koning neer, maar waren minder tevreden299•
Ze grepen de volgende gelegenheid aan om de gesprekken met de Noordnederlanders te hervatten, ditmaal opnieuw onder bemiddeling van mevrouw T' Serclaes. De generaal en de landvoogdes spraken hierover geen enkele minister aan, en zeker la Cueva niet, omdat ze wisten hoe hij tegenover een bestand stond. Ze vroegen in Madrid de toestemming om de onderhandelingen verder te zetten, wat ook gebeurde300•
2.2.2 Oorlog te land
Het Spaanse leger was in 1621 in drie legerkorpsen ingedeeld: het Rijnleger en het Vlaams- Brabantse 1eger, die tegen de Noord-Nederlands werden ingezet, en het Paltsleger301•
Het beleg van Gulik werd in februari 1622, na een strijd van zeven maanden, met de inname van de stad afgesloten302 • Het Rijnleger buitte dit succes uit om, door verovering van verschillende andere vestigingen in de hertogdommen Gulik en Berg, de erflanden van de katholieke hertog van Neuburg voldoende te beveiligen. Het drong ook binnen in het aangrenzende graafschap Mark, dat tot de Kleefde erfenis behoorde. Met het legerkorps dat in Vlaanderen en Brabant opereerde, had Spinola in juli 1622 het beleg van Bergen-op-Zoom ondemomen, nadat Steenbergen was ingenomen. Deze moeizame belegering liep echter, drie maanden later, uit op een nederlaag, door
298 Bagno aan Massimi, 26/8/1623 (NdF V, 709)
299 Bagno aan Ba.rberini, 28/10/1623 (NdF V, 758)
300 Bagno aan Barberini, 30/3/1624 (NdF V, 925) Bagno aan Barberini, 17/8/1624 (NdF V, 1074)
301 P. JANSSENS, "De landvoogdij van lsabella 1621-1633" in: Algemene Geschiedenis van de
Nederland!m, VI, Haarlem, Fibula-Van Dishoeck, p.372.
302 J.I. ISRAEL, "A Conflict of Empires: Spain and the Netherlands 1618-1648'' in: Past and Present,
76, 8/1977, p.42.
deserties in het Spaanse leger en door het onverwacht sterke verzet van de Noordnederlanders, die hulp kregen van de protestantse generaal Mansfeld303•
Ondanks dat Madrid vanaf 1624 duidelijke wenken gaf dat voor hen de oorlogsvoering op zee prioritair werd op de landoorlog304, vatte Spinola eind augustus het beleg van Breda aan. In Spanje reageerde men verbijsterd; de verovering van de stad zou immers geen extra strategisch voordeel opleveren, en bovendien was bekend dat Breda nog beter versterkt was dan Bergen-Op-Zoom. Filips IV probeerde Isabella te doen inzien dat het beleg beter kon worden opgeheven, maar Spinola dreef zijn zin door. Eind mei 1625 blies het Noordnederlandse -garnizoen, in een verrassend goede toestand, de aftocht. Het leger van Spinola, dat door ontbering zwaar gehavend was, had een overwinning behaald waar een tol aan vast hing. Toch zou de overwinning legendarisch worden, wat Filips IV niet belette te concluderen dat een landoorlog weinig opbracht en veel kostte. Isabella kreeg het bevel zich voortaan te land te beperken tot een 'guerra ofensiva' 305•
La Cueva bracht, zoals de landvoogdes en andere Spaanse ministers, verslag uit bij Filips IV over de gevolgde oorlog strategieën306 . Dat werd ook van hem verwacht; de koning vroeg er nadrukkelijk om307• Het zou ons te ver leiden de oorlog even gedetailleerd uiteen te zetten als hij door de ambassadeur werd verslaan. We lichten er enkele belangrijke documenten uit.
Bij het begin van het jaar 1624 gaven zowel kardinaal la Cueva als Isabella hun visie op het beleid van de oorlogsvoering. De koning had de maand voordien aan de ambassadeur zijn beslissing kenbaar gemaakt om het budget voor de landoorlog van driehonderdduizend ducaten per maand te herleiden tot tweehonderdvijftigduizend, en de vrijkomende vijftigduizend dukaten te investeren in tot veertig schepen voor de armada308• Ook had de vorst in november 1623 de Infanta aangeschreven met de vraag
304 zt•e m· fra zeu1Cu..Ie pagm•a en p.64
305 R VERMEIR, op.cit., p.36.
306 Filips IV aan Bedmar, 12/8/1622 (AGS E 2233, f.246)
Filips IV aan Bedmar, 18/9/1622 (AGS E 2233, f.264) Consulta Consejo de Estado, 27/10/1622 (AGS E 2036, f.16) Consulta Consejo de Estado, 3 II3/1624 (AGS E 2038, f.10) Consulta Consejo de Estado, 7/10/1624 (AGS E 2038, f.23) Filips IV aan la Cueva, 2 III2/1624 (AGS E 2234, f.139) Filips IV aan la Cueva, 3/2/1625 (AGS E 2234, f.167) Consulta Consejo de Estado, 25/5/1625 (AGS E 2039, f.80)
307 Consulta Consejo de Estado, 12/3/1622 (AGS E 2036, f.10)
Filips IV aan Bedmar, 23/3/1622 (AGS E 2233, f.183)
308 La Cueva aan Filips IV, 4/ III624, gelezen te Madrid 19/ III624 (AGS E 2038, f.9)
|
Don Diego Messia310, de veedor general en de bevelhebbers van de drie belangrijkste citadels samen te roepen om te overleggen hoe men het best een offensieve oorlog op zee kon organiseren en een defensieve op het land. Filips IV was van mening dat de oorlog zo bloederig en profijtelijk mogelijk moest gevoerd worden311•
La Cueva verwees in zijn uiteenzetting eerst naar de voorstellen in de brief van de Infanta, waar hij het mee eens was312•
De landvoogdes stond achter de idee om de maritieme oorlogsvoering op te drijven. Meer specifiek pleitte ze voor het aanvallen van handelsschepen en voor het verhinderen van de visserij. Het uitbouwen van een grote armada die ook andere Staatse schepen zou lastig vallen, raadde ze af omdat de Noord-Nederlands zich in de mogelijkheid bevonden om, bij verlies van twintig schepen, er snel evenveel nieuwe in de strijd te werpen. Daarentegen als er twintig Spaanse schepen verloren zouden gaan, zou er veel meer tijd nodig zijn om ze te vervangen. Zij dacht dat het mogelijk was met de voorgestelde subsidies rond te komen, tenminste als de Staatsen geen steun kregen van de legers van Mansfeld en Brunswijk313•
De ambassadeur achtte het een goede strategie om het de Noordnederlanders moeilijk te maken op alle terreinen. Ook steunde hij de optie om de belangrijkste rivieren, zoals de Maas en de Rijn, af te sluiten, langs waar de noodzakelijkste producten werden ingevoerd in de Noordelijke Nederlanden, in het bijzonder het materiaal voor de scheepsbouw. Voorts greep hij de gelegenheid aan om Filips IV er op te wijzen dat deze moeilijke oorlog zou kunnen vergemakkelijkt worden, als de concepten en voorstellen, waarvan la Cueva rekenschap had gegeven aan de koning, zouden toegepast worden. En hij herhaalde de belangrijkste wijze raad: niet te kijken naar de moeilijkheidsgraad, maar naar de noodzaak en de verplichting van het afrekenen met de rebellen, want daaruit bestond een essentieel deel van de grootsheid van de koning314• Hieruit kan men afleiden dat la Cueva geen tegenstander was van een moeilijke ontremming, zoals het beleg van Breda.
Kort daama besliste Filips IV echter het budget voor de oorlog in de Nederlanden terug te schroeven van driehonderdtwintigduizend dukaten naar driehonderdduizend. Don Pedro de Toledo, lid van de Consejo de Estado, wees er op, dat met het geld dat bestemd was om twintig schepen te bouwen, er maar twaalf gebouwd waren, waarvan er dan nog eens zes verloren waren gegaan op zee315•
310 Don Diego Felipez de Guzman Messia was generaal de artillerie en officier in het
Spaans Nederlandse leger.
311 Filips IV aan Isabella, 18/ II/1623 (AGS E 2233, f.396)
312 La Cueva aan Filips IV, 4/ III624, ge1ezen te Madrid 19/ III624 (AGS E 2038, f.9)
313 Isabella aan Filips IV, 7/ III624, gelezen te Madrid 19/1/1624 (AGS E 2038, f.7)
314 La Cueva aan Filips IV, 4/ III624, ge1ezen te Madrid 19/ III624 (AGS E 2038, f.9)
315 Consulta Consejo de Estado, 28/ III624 (AGS E 2038, f.6-9)
Voor het leger op campagne vertrok, vroeg de landvoogdes naar de meningen van la Cueva, Spinola, de graaf van Salazar, Gonzales de Cordoba, de veedor general, Hendrik van den Bergh en de maestros de campo Francisco de Medina en Thomas de Wijngaerd. Op twee uitzonderingen na, één van de twee was la Cueva, raadde iedereen aan iets te ondememen in Brabant. La Cueva stelde voor om de IJsel over te steken en aan te vallen in de Veluwe. Maar volgens Isabella stond de rivier te hoog en was de oever tegoed verdedigbaar. Ze wachtte op instructies uit Madrid 316.
Twee maanden later, voor het begin van de belegering van Breda, schreef la Cueva naar Filips IV dat het altijd zijn mening was geweest q.at het ergste wat men kon doen, niets doen was. Daarom vond hij dat er zoveel mogelijk moest ondemomen worden en hij hoopte dat men zou slagen in de uitvoering317.
Bedmar werd door de koning op de hoogte gehouden van het beleid achter de militaire campagnes. Zo vertrouwde Filips IV zijn ambassadeur toe dat het aan Isabella werd overgelaten om te beslissen over het al dan niet verder zetten van het Breda o:ffensieF18.
In de maand januari van de belegering van Breda berichtte de ambassadeur dat de stad met een groot tekort aan bevoorradingen katnpte en dat de Noordnederlanders alles in het werk stelden om hulp te verkrijgen uit Frankrijk en Engeland 319.
Na de overwinning van Breda probeerde la Cueva de koning te overtuigen dat het toch een belangrijke plaats betrof en meldde hij dat hij in het gevolg van Isabella de stad zou bezoeken320• Er waren veel artillerie, wapens en munitie achtergelaten in Breda en de ambassadeur probeerde van de situatie gebruik te maken door bij Filips IV aan te dringen op de betaling van het achterstallige geld321.
Maar de informatiekanalen van de koning waren overal aanwezig, want hij was ook op de hoogte van enkele wantoestanden bij de overdracht van de stad en beval la Cueva hem hierover volledig in te lichten en zijn eigen visie eraan toe te voegen. Het betrof een aantal ritselingen en rekruteringen (in en rond Breda) die men had lqmnen nalaten te doen. Men had eenvoudigweg een aantal vaandels vervangen, waardoor er ongeschikte personen in dienst van de koning kwamen. Bovendien had men snel voorraden ingeslaan, voor men de stad verliet, zodat men aan de haal ging met de lonen van de gereformeerden322.
317 Consulta Consejo de Estado, 14/9/1624 (AGS E 2038, f.21)
318 Filips IV aan la Cueva, 24 1/2/1624 (AGS E 2234, f.146)
319 Consulta Consejo de Estado, 21/1/1625 (AGS E 2039, f.66)
32°Consulta Consejo de Estado, 29/6/1625 (AGS E 2039, f.5)
321 Consulta Consejo de Estado, Bn/1625 (AGS E 2039, f.72)
322 Filips IV aan la Cueva, III9/1625 (AGS E 2234, f.332)
2.2.3 Oorlog op zee
De armada, die in 1622 uit slechts vier koningschappen bestond, nam toe tot twaalf vaartuigen in 1625323• De kaapvaart werd meestal overgelaten aan op zelfstandige basis opererende vrijbuiters. Vanaf 1622 konden eigenaars van schepen, door middel van een vergunning van de Brusselse regering en tegen het betalen een winstpercentage, jagen op de Staatse koopvaardijschepen324•
Door de armada werden Staatse schepen vaak gedwongen te varen in kostelijke konvooien (straetvaert). De Noordnederlanders probeerden met veel moeite de drie uitvalsbasissen van de armada te blokkeren. Dit verhinderde de Spanjaarden niet om de rebellen zware klappen uit te delen. In november 1625 werden verschillende dozijnen schepen tot zinken gebracht. Naast het raken van handelsschepen, werd de armada ook ingezet tegen de haringvangst, die drie vijfde van de inkomsten uit de Staatse visserij omvatte. Ook daarin was 1625 een belangrijk jaar, wanneer de armada in oktober de Zuid-Hollandse afdeling van de haringvloot raakte voor de Schotse kust. Volgens Spaanse bronnen werden er tachtig vijandige schepen vernield, volgens berichten uit Newcastle zestig325•
Een ander wapenfeit, dat plaatsvond in mei 1624 en dat het belang aanduidde van het bevechten van de Noordnederlanders op zee, maar dat in het nadeel van de Spanjaarden had geresulteerd, was de inname door de Staatsen van Bahía, een stad in Brazilie. Madrid besloot een tegenexpeditie te sturen onder leiding van Don Fadrique de Toledo. Met twaalfduizend man aan boord van tweeëntwintig schepen vertrok hij in februari 1625 naar Zuid-Amerika. Hiermee liet Olivares, de belangrijkste man in Spanje na Filips IV, merken dat het hem menens was de Staatsen in hun eigen habitat te bevechten, op zee326• Op 1 mei van datzelfde jaar gaven de Noordnederlanders zich over te Bahía327•
2.2.3.1 Armada
Volgens de koning was het jaar 1622 goed begonnen met het gevangen nemen van een Noord-Nederlands schip door de Oostende oorlogsvloot, waarvan Bedmar de Spaanse vorst had op de hoogte gesteId. In dezelfde brief schreef Filips IV dat hij Isabella had opgedragen er voor te zorgen dat er werk werd gemaakt van de uitbreiding van deze armada en van la Cueva werd verwacht dat hij de Infanta bijstond en adviseerde want
324 R VERMEIR. op.cit., p.34.
325 J.I. ISRAEL, art.cit., pp.44-46.
326 J.Il ELLIOTT, The Cmmt-Duke..., p.215.
327 J.H ELLIOTT, The Count-Duke..., p.236.
het was belangrijk dat de schepen zo snel mogelijk zouden kunnen uitvaren328• Na een half jaar vroeg de vorst aan Bedmar op te schieten met de bouw van de ontbrekende schepen voor de armada en het gieten van de artillerie en hij verwees naar de goede resultaten die gehaald werden met de schepen die al klaar waren329•
In 1623 kwam er een voorstel van de Consejo om de Zuidnederlandse armada uit te breiden tot dertig a veertig schepen. Filips IV legde het voor aan Isabella die het moest doorgeven aan la Cueva en Spinola. Er werd van hen verwacht hun mening te geven en te onderzoeken of er geschikte vlootleiding voorhan< en was330•
Zoals reeds vermeld steunden Isabella en de ambassadeur in 1624 het voorstel om het budget van de oorlogsvloot te verhogen, maar het beloofde geld werd al zeer snel weer verminderd331•
In september 1625 kwamen er enkele berichten van la Cueva aan te Madrid over de optuiging van schepen in Holland en Zeeland om de Duinkerke armada te weerstaan en havens aan te vallen in de Zuidelijke Nederlanden332 •
De koning stelde voor Spinola te benoemen tot bevelhebber van de armada en deze uit te breiden tot vijftig schepen. De generaal en Isabella gaven hun goedkeuring. La Cueva beloofde in juli bij zijn terugkeer naar Brussel (waar hij zich bevond is onbekend) te antwoorden op de vraag hoe men op zee de rebellen zou moeten bekampen. Het was een onderwerp waar goed was over nagedacht en waarover hij veel te zeggen had333• Het door de ambassadeur beloofde relaas werd echter niet teruggevonden.
Op 10 oktober had de ambassadeur de vorst geschreven over het bezoek van Isabella aan de kuststreek en de oprichting van een junta betreffende de schepen van de armada. Of la Cueva zelf deel uitmaakte van deze junta is niet duidelijk maar wel waarschijnlijk334 •
Isabella, la Cueva en Spinola bleven eind 1625 melding maken van de vorderingen in de voorbereiding en uitrusting van de oorlogsschepen. In totaal ging het om veertig schepen die verzamelden in Mardique, het beoogde aantal was dus bereikt335 •
329 Filips IV aan Bedmar, III7/1622 (AGS E 2233, f.226)
33°Consulta Consejo de Estado, 11/9/1623 (AGS E 2037, f.27)
331 zt.e supra p.63
332 Consulta Consejo de Estado, 28/9/1625 (AGS E 2039, f.7)
333 Consulta Consejo de Estado, 28/7/1625 (AGS E 2039, f.73)
334 Filips IV aan la Cueva, 11/9/1625 (AGS E 2234, f.335)
335
Filips IV aan la Cueva, 12/10/1625 (AGS E 2234, f.364)
Consulta Consejo de Estado, 18/10/1625 (AGS E 2039, f.77)
2.2.3.2 Noord-Nederlands op zee
La Cueva was redelijk goed geinformeerd over de Noord-Nederlandse intenties om uit te varen, waarschijnlijk dankzij de inlichtingennetwerken. Meerdere malen bracht hij de koning op de hoogte van de Staatse plannen en van gebeurtenissen met Noord-Nederlandse schepen336.
Zo besprak in november 1622 de Consejo een brief van la Cueva waarin deze melding
maakte van de optuiging van zestien Staatse schepen. Hun bestemming was onbekend maar het betrof alleszins een lange reis337• De koning vroeg de kardinaal om zoveel mogelijk bijkomende informatie, vooral het doel van de reis moest la Cueva zeer snel trachten te achterhalen338• De vorst stelde alvast de Consejos de Indias en Portugal op de hoogte339•
Twee maanden later verordende Filips IV la Cueva informatie in te winnen over veertien in aanbouw zijnde Noordnederlandse schepen die als doel de lndienvaart zouden hebben340•
Vanaf september 1624 kwamen er te Madrid berichten aan van la Cueva over de oprichting van een piratencompagnie door de Noordelijke Nederlanders. Hun bedoeling was om alle schepen te beroven die handel dreven in de Spaanse kusthavens341 •
Na hun geslaagde expeditie in Brazilie, kwamen er vier Staatse schepen aan op het thuisfront met de gevangen genomen gouverneur van Bahía. Er werd gezegd dat de bisschop en de Brazilianen die aan boord waren, het de Noordnederlanders moeilijk maakten, zodat ze veel werk met hen hadden. Bij een botsing tussen de twee partijen had de generaal het leven gelaten en een gewone ziekte in het land had veel schade toegebracht bij de Noord-Nederlands342• Wou la Cueva met dit relaas de pil van het verlies van de Zuidamerikaanse stad wat vergulden voor Filips IV?
Consulta Consejo de Estado, 14/9/1624 (AGS E 2038, f.21) Consulta Consejo de Estado, 3/5/1625 (AGS E 2039, f.2) Consulta Consejo de Estado, 25/ II/1625 (AGS E 2039, f.8) Filips IV aan la Cueva, 9/10/1624 (AGS E 2234, f. II3)
337 Consulta Consejo de Estado, 5/ II/1622 (AGS E 2036, f.28)
338 Filips IV aan la Cueva, 24/ II/1622 (AGS E 2233, f.285)
339 Consulta Consejo de Estado, 5/ II/1622 (AGS E 2036, f.28)
34°Filips IV aan la Cueva, 29/1/1623 (AGS E 2233, f.308)
341 Consulta Consejo de Estado, 14/9/1624 (AGS E 2038, f.21) Consulta Consejo de Estado, 7/ II/1624 (AGS E 2038, f.l02)
342 Consulta Consejo de Estado, 28/ II/1624 (AGS E 2038, f.25)
Een maand later behandelde men in Madrid het bericht van de kardinaal dat de er in de Verenigde Provinciën schepen werden uitgerust om hun landgenoten in Bahía te gaan ondersteunen344•
Filips IV beval la Cueva, via Isabella, om samen met zijn vertrouwelingein de Verenigde Provinciën alles te doen om de Staatse hulp aan Brazilie te verstoren of ze ten minste te vertragen tot de voorziene Spaanse armada zou vertrokken zijn. Sueyro kreeg dezelfde opdracht345 • De ambassadeur repliceerde dat het zeer moeilijk was om vanuit de Zuidelijke Nederlanden de rebellen ervan te weerhouden hulp te hieden in Brazilie. Hij wees er op dat het belangrijker was hen te bevechten 'bij hen thuis' 346• In voorgaande brieven had hij dit ook al bepleit. Het grootste obstakel dat de Spanjaarden konden vormen voor de Staatsen bestond uit de combinatie van een landoorlog met een oorlog op zee en een rivierblokkade347• Dat men in Madrid met de onzekerheid zat dat men nooit wist welke Spaanse gebied de rebellen zouden aanvallen, terwijl het grondgebied zo groot was dat men onmogelijk elke plaats afdoende kon versterken, vond de kardinaal een belangrijke reden om er nogmaals op te drukken dat de oorlog in de Nederlanden moest uitgevochten worden, op zo'n manier dat de Staatsen geen kans meer zouden zien om zich ergens anders op toe te leggen dan op hun eigen verdediging348 .
In januari 1625 bracht Bedmar verslag uit van een poging van de rebellen om bijstand te verlenen in Brazilie, maar de schepen werden voor de Noordnederlandse kust gedwongen terug te keren door een storm. Als de koninklijke armada zou slagen in haar ondememing in Bahía, nog steeds volgens la Cueva, zouden de rebellen ergens anders op zoek gaan naar zout. Hij hield nog steeds vol te pleiten voor ' lo mucho que conuiene apretarlos en su casa para que no se dibiertan en otras cossas' 349• De koning antwoordde, zoals altijd, met een vraag naar nieuwe informatie 350•
Sommige katholieke Noord-Nederlandse vissers deden een aanvraag in Brussel om in ruil voor een vergoeding gevrijwaard te worden van elke aanval van de
344 Consulta Consejo de Estado, 7/ II/1624 (AGS E 2038, f.102)
345 Filips IV aan Isabella, 2/9/1624 (AGS E 2234, f.93)
346 Consulta Consejo de Estado, 5/12/1624 (AGS E 2038, f.26)
347 Consulta Consejo de Estado, 7/10/1624 (AGS E 2038, f.23)
348 Consulta Consejo de Estado, 7/ III1624 (AGS E 2038, f.102)
349Consulta Consejo de Estado, 21/1/1625 (AGS E 2039, f.66)
35°Filips IV aan la Cueva, 3/2/1625 (AGS E 2234, f.I67)
Zuid-Nederlandse armada. Isabella onderzocht de zaak samen met Spinola en la Cueva en het werd in overweging genomen, vermits het een maatregel zou zijn die men nog kon herroepen. De landvoogdes wachtte op het oordeel van de koning 351•
Na de herovering van Babia meerden de verslagen Noord-Nederlands terug aan in de Verenigde Provinciën. Volgens de berichten van la Cueva had men het Staatse volk het verlies verzwegen. Aandelen van de Westindische Compagnie en van de
Noord-Nederlandse vloot werden aan de helft van de prijs verkocht 352•
Om het jaar af te sluiten, meldde Filips IV aan de belangrijkste ministers in het Noorden (Spinola, la Cueva, Osuna, Mirabel en Pereda) dat de zilvertloot veilig was aangekomen op het Iberische schiereiland en dat er over subsidies kon gepraat
worden353•
Begin 1626 verzocht Filips IV Isabella, Spinola en la Cl,leva, er voor te zorgen dat de gevangenen van Bahía vrijkwamen door ze te ruilen voor belangrijke Noord-Nederlandse krijgsgevangenen354•
2.2.4 Sluiting van de rivieren
In januari 1624 besloot men in Madrid een aantal rivieren (de Schelde, de Moesel, de Rijn en de Lippe) af te sluiten voor Noordnederlandse boten. Dit was in overleg met het Zuidnederlandse bestuur gebeurd. Ook werden er stappen ondemomen om de Weser en de Elbe te blokkeren. Het was de bedoeling zo de Staatse handel te saboteren over de waterwegen die naar de Noordzee liepen. Samen met de inzet van de Duinkerke armada zou deze boycot een zware tol kunnen eisen van de
Noord-Nederlandse economie 355• De rivierblokkade werd pas streng toegepast vanaf juli 1625. Tot dan verscheepten de rebellen produkten naar de Spaanse Nederlanden, Luik en Keulen, waarvan een deel uiteindelijk terecht kwam in het Iberisch Schiereiland, Italie en de Spaanse kolonien. Omgekeerd werd er hout (belangrijk voor de scheepsbouw) en vlas de Verenigde Provinciën ingevoerd. De hele handel viel stil toen de Noordnederlanders enkele maanden later antwoordden met een tegenblokkade. Dat de sluiting van de rivieren vooral in het nadeel was van alle betrokken partijen (de
352 Consulta Consejo de Estado, 4/ III1625 (AGS E 2039, f.17)
353De markies van Mirabel was de Spaanse ambassadeur te Parijs en Don Gaspar de Pereda was veedor general van het Spaanse leger in de Nederlanden.
Filips IV aan de Ministers van het Noorden, 4/12/1625 (AGS E 2234, f.393)
354 Filips IV aan Spinola en la Cueva, 12/2/1626 (AGS E 2235, f.23)
355 J.H ELLIOIT, The Count-Duke..., p.216.
Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden en delen van het Heilig Roomse Rijk) zou al snel duidelijk worden356•
Oorspronkelijk was de Zuidnederlandse regering enthousiast over het plan van de rivierblokkade. De Infanta drong begin 1624 aan bij de koning om haar de volmacht te overhandigen zodat ze kon overgaan tot de sluiting van de waterwegen357 . Ook de Spaanse ambassadeur gaf zijn goedkeuring aan het blokkeren van de Noord-Nederlandse handel, en hij benadrukte het belang van het tegenhouden van materialen voor de scheepsbou 58•
In mei van hetzelfde jaar opperde de kardinaal toch bij de koning dat het belangrijk was Isabella de toestemming te geven ergens anders geld uit te halen, nu de inkomsten uit de licenten, die men toekende aan de Noord-Nederlands, gederfd werden359• Filips IV antwoordde door Isabella een eenmalige som toe te kennen van maximum vierhonderd florijnen uit zijn erfgoed. Voorts kon ze voorzien in andere manieren om het tekort aan geld aan te vullen. Bedmar werd hiervan kennis gegeven en werd, verrnits hij het belang ervan kende, aangespoord om de blokkade uit te voeren360•
La Cueva keek ook naar de voordelen, zoals de schade die de rebellen zouden lijden en meldde in de herfst van 1624 dat al het mogelijke werd gedaan om de blokkade in de praktijk te brengen361 •
Bij het begin van de oplegging van de rivierblokkade in 1625 berichtte Bedmar een paar keer hoe pijnlijk het was voor de Staatsen om meer dan zestig handelsvaartuigen te zien terugkeren door de rivierblokkade en voorts beweerde hij dat de Zeelands handel er zelfs was door opgedoekt362 • Op het einde van dat jaar zag Isabella nog steeds de voordelen in van het verbod op de 1icenten en ze deelde de koning de beslissing mee van de Noordnederlanders om een tegenblokkade te installeren363•
357 Consulta Consejo de Estado, 14/1/1624 (AGS E 2038, f.5)
358 La Cueva aan Filips IV, 4/ III624, gelezen te Madrid 19/1/1624 (AGS E 2038, f.9)
359
La Cueva aan Filips IV, 9/4/1624, gelezen te Madrid 27/4/1624 (AGS E 2038, f.95)
Consulta Consejo de Estado, 2/5/1624 (AGS E 2038, f.94-97)
36°Filips IV aan la Cueva, 17/5/1624 (AGS E 2234, f.49)
|
Consulta Consejo de Estado, 18/9/1625 (AGS E 2039, f.74) Consulta Consejo de Estado, 28/9/1625 (AGS E 2039, f.7) Filips IV aan la Cueva, 12/10/1625 (AGS E 2234, f.364)
363 Consulta Consejo de Estado, 25/ II/1625 (AGS E 2039, f.8)
No hay comentarios:
Publicar un comentario