BESLUIT
Bedmar, die van een gegoede familie afstamde, kreeg op vijfendertig jarige leeftijd de belangrijke post toebedeeld van ambassadeur te Venetië. Hij slaagde er echter niet in de rol van bemiddelaar in het Venetiaans-Romeins conflict over te nemen van Frankrijk. Wel vergrootte hij de Spaans-pauselijke aanhang ter plaatse en polariseerde hij zo de onvrede in de Republiek. Geruchten over een samenzwering tegen het Venetianen bestuur, waaraan de ambassadeur zou hebben deelgenomen, brachten een volksopstand teweeg die Bedmar verplichtte te vluchten.
Als vorsten van de zogenaamd onafhankelijke Zuidelijke Nederlanden, kregen Albrecht en Isabella een Spaans ambassadeur toebedeeld, welke functie Bedmar als vierde invulde. Via de installatie van het Spaans ministerie en de junta-werking werden onder het bewind van de aartshertogen de collaterale raden en de Staten Generaal in een ceremoniële functie geduwd.
In zijn instructies kreeg Bedmar de opdracht de Spaanse koning grondig te informeren over de gang van zaken in de Zuidelijke Nederlanden, Isabella na de dood van Albrecht bij te staan en raad te geven, inlichtingennetwerken te coördineren, contacten te onderhouden met de buurlanden, bestandsonderhandelingen met de Verenigde Provinciën te bevorderen in het voordeel van Spanje, goede relaties op te bouwen met voornamelijk de hogere klassen van de inlandse bevolking en melding te maken van deloyale personen aan het hof.
Op 31 oktober 1619 kwant Bedmar aan te Brussel en hij toonde meteen zijn afkeur voor Albrechts zachte aanpak van de volksopstand in de stad, die was ontstaan na de doorvoering van tak heffingen. De ambassadeur werd voorzitter van de Junta de Hacienda, die de militaire financiën behandelde, nam deel aan de Junta de Guerra (Junta van Oorlog) en had zitting in de junta die als opdracht kreeg de Spaanse vorst raad te geven over het al dan niet verlengen van het Twaalfjarig Bestand. Met de dood van Albrecht in het vooruitzicht kreeg Bedmar de taak opgelegd Spinola mee te delen dat hij niet belast zou worden met de legerleiding, maar geacht werd te dienen onder Isabella. Dat dit zonder problemen verliep, wijst op de goede verstandhouding tussen de ambassadeur en Spinola.
Bedmar beheerde en bewaarde in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van Filips III belangrijke documenten zoals dat betreffende de machtsovername van Isabella. Toen deze in juli 1621 plaatsvond, wat de terugkeer van de Zuidelijke Nederlanden onder het bewind van de Spaanse vorst impliceerde, volgde men in Madrid Bedmars raadgevingen op voor wat betrof de draagwijdte van de bevoegdheden van de landvoogdes. Isabella zou meer inspraak krijgen dan de vorige gouvemeurs maar het zou wel duidelijk blijven dat de Spaanse vorst het hoogste gezag bekleedde. Bedmar zelf bleef in functie om de continuïteit in het beleid te garanderen.
In 1620 was Bedmar nog van oordeel dat de gesprekken met de Noord-Nederlands over een verlenging van het Bestand moesten worden voortgezet. Hij werd in Madrid
als een vertrouwenspersoon tussen de onderhandelaars gezien. Tegelijkertijd moest hij toezien op de uitvoering van militaire voorzorgsmaatregelen, die in Madrid waren opgesteld. Toen de nieuwe koning, Filips IV, besloot de oorlog te hervatten, was Bedmar de eerste om zijn mening over het verlengen van het Bestand te herzien.
In de zomer van 1620 werd de Armada de Flandes opgericht om gestalte te geven aan de maritieme oorlogsvoering tegen de Staatsen. Als voorzitter van de Junta de Hacienda, was Bedmar verantwoordelijk voor de financiering van de scheepsbouw. Ook in de benoeming van de leiding van d_e oorlogsvloot had hij inspraak.
Via de spionagenetwerken van de ambassadeur en van Sueyro, die door de 'gastos secretos' van de ambassade betaald werden, vergaarde men politieke, economische en militaire informatie over de Verenigde Provinciën. Bij de oprichting van zijn informantennetwerk, kreeg Bedmar richtlijnen vanuit Madrid. Hij werd opgedragen de mogelijkheden te bestuderen om steun te verlenen aan Noord-Nederlandse dissidenten, zoals de Arminianen. Omgekeerd moest hij Staatse plannen in het Zuiden trachten te verijdelen. De aversie die Bedmar koesterde jegens Sueyro sproot waarschijnlijk voort uit het streven van de ambassadeur naar een betere geheime berichtgeving, waarbij Sueyro als een concurrent werd gezien.
Bedmar was voorstander van Spaanse hulp vanuit de Zuidelijke Nederlanden aan een invasie in de Neder palts naar aanleiding van de Boheemse crisis. De Spaanse koning stemde toe, mede dankzij de grote diplomatieke druk. De ambassadeur drong er bij de vorst op aan de nodige geldelijke middelen te voorzien. De vorst antwoordde met een verzoek aan Bedmar om druk te zetten achter de militaire voorbereidingen. De ambassadeur pleitte voor het behoud van de banden met Maximiliaan van Beieren, ondanks het door de hertog afgesloten vredesverdrag met de Evangelische Unie. Niettegenstaande zijn onmisbaarheid te Brussel, vergezelde Bedmar het Zuid-Nederlandse leger tot aan de Rijn. Op initiatief van de ambassadeur kwam, na de geslaagde tussenkomst in de Palts, het Zuid-Nederlandse leger de keurvorst van Keulen ter hulp. Nadat hij hiervoor verantwoording aflegde bij de koning, keurde deze de actie goed. Vanaf juni 1621 toonde de ambassadeur zich een voorstander van een schikking in de Palts.
In de periode 1622-1615 werd het belang van Bedmar bevestigd. Ondanks berichten over zijn vertrek naar Rome en het uitkijken vanuit de Consejo de Estado naar een vervanger, die een aantal mistoestanden zou moeten rechtzetten, bleef Bedmar stevig op post. Hij organiseerde mee de eedaflegging van de Zuid-Nederlandse provinciën aan Filips IV en werd bevorderd tot kardinaal Cueva. Vanaf 1624 volgden er zich een aantal tegenslagen op: zijn huis brandde af, hij kende geldproblemen en hij lag in conflict met de graaf van Gondomar, waarvoor bemiddeld werd vanuit Madrid. Ondanks zijn overwegend negatieve houding ten aanzien van de inlandse bevolking, werd la Cueva de woordvoerder van de junta die de verdediging op zich nam van de belangen van de Zuid-Nederlandse handelaars, die voor hun producten geen afzet vonden in de Spaanse havens. La Cueva stelde in opdracht van de koning een verslag
op over de staat van de koninklijke financiën. Tevens viel het onder Zijn verantwoordelijkheid om wantoestanden in het leger op te klaren.
Als tegenstander van een bestand met de Verenigde Provinciën werd de kardinaal uit de onderhandelingen geweerd. Onderbouwd door de adviezen van Isabella en la Cueva, dokterde het beleid in Madrid de strategie uit om met de Duinkerke armada vooral Staatse handelsschepen aan te vallen en de visserij schade toe te brengen. La Cueva was voorstander van een rivierblokkade en zag niet op tegen een moeilijke ondememing, zoals het beleg van Breda, alhoewel hij een actie aan de IJsel had geprefereerd. Nauw betrokken bij het beleid van Zuid-Nederlandse oorlogsvloot, bracht la Cueva verslag uit van de vorderingen en successen. Dankzij zijn contacten in de Verenigde Provinciën kon de ambassadeur Filips IV informeren over de Staatse plannen in de lndien. Aan een verzoek van de vorst om de hulp van de rebellen aan Bahía te verijdelen, kon la Cueva niet voldoen. Volgens hem was het effectiever de Noord-Nederlands op hun eigen grondgebied te bevechten. Zijn informantennetwerk maakte het la Cueva mogelijk Madrid te informeren over de oorlogsplannen van de Staatsen, hun betrekkingen met het buitenland en hun bestuur. Na ernstige botsingen met Sueyro, van wie de ambassadeur weigerde essentiële berichten door te geven aan de koning, kwam deze onder de hoede van Isabella, met wie Sueyro evenzeer meningsverschillen zou hebben.
Bedmar werd nauw betrokken bij de onderhandelingen voor een vredesovereenkomst in de Palts, maar voor belangrijke beslissingen verwees hij naar Madrid. Ook in de gesprekken betreffende een eventuele Beierse tussenkomst in de oorlog met de Verenigde Provinciën, speelde de ambassadeur een rol. Toen deze bijstand in eerste instantie niet bekomen werd, voelde Bedmar dit aan als een persoonlijke mislukking, maar hij bleef er voor pleiten de contacten met Beieren te behouden. Later zou dit blond worden met, weliswaar matige, Rijkse bijstand tegen de rebellen.
Het conflict met Gondomar loste zichzelf op in 1626 door een kleine toegeving van de graaf.
La Cueva, die deel zou uitmaken van het interim-bestuur ter vervanging van Isabella, vroeg om een aanpassing van het document, dat voor deze gelegenheid was opgesteld en in zijn bewaring was gegeven. Hijzelf zou, zoals veel andere voorgedragen voor het interim-bestuur die wegvielen, vertrekken uit de Nederlanden. De ambassadeur stond negatie tegenover mogelijke Zuid-Nederlandse inbreng in deze regering.
Vanaf de val van 's Hertogen Bosch, waarvoor la Cueva door het volk verantwoordelijk werd gesteld, was de kardinaal erg gehaat in de Zuidelijke Nederlanden. La Cueva had echter hardnekkig gepleit bij de Consejo de Estado voor het nodige geld voor de verdediging van de stad. Ondanks het staatsbankroet en het verlies van de zilvervloot, zorgde de ambassadeur er mee voor dat vanuit de Zuidelijke Nederlanden, zij het dan in beperkte mate, voor de financiering van het leger werd gezorgd. Hij probeerde de Madrileense aandacht af te leiden van de publieke onvrede over zijn persoon, door Hendrik van den Bergh en de hertog van Aarschot, waarvan inderdaad later bleek dat
La Cueva stelde zich in de late jaren twintig gunstig op jegens de hernieuwde onderhandelingen met de rebellen. Hij was echter tegen een langdurige vrede als deze een inkrimping van het Zuid-Nederlandse leger inhield. In 1629 schaarde hij zich echter achter Olivares en bepleitte hij een krachtdadige oorlog. Kort daarna liepen de vredesgesprekken vast wegens desinteresse vanuit Staatse hoek. Tot 1628 bleef la Cueva verslag uitbrengen over het wedervaren van de armada. Of hij nog betrokken was bij het beleid van de vloot, is niet duidelijk. Een jaar voordien had Filips IV zijn ambassadeur vermaand wegens de geringe opbrengst van zijn spionageactiviteiten. La Cueva antwoordde door Madrid te waarschuwen voor de overzeese projecten van de Staatsen, die leidden tot de verovering van de zilvervloot en de inname van Pernambuco. De rest van zijn spionageberichten behielden hetzelfde karakter als voordien; er werd geen veldslag mee gewonnen.
Op verzoek van de Spaanse koning probeerde la Cueva Isabella te overtuigen van de voordelen van de rivierblokkade, die een boycot van de Noord-Nederlandse handelswaren bewerkstelligde. De rivieren werden echter heropend in 1629 vanwege geldtekort. In de handelsraad, die zou worden opgericht in het kader van het Almirantazgo, zou la Cueva plaats nemen, maar de hele onderneming werd vroegtijdig opgedoekt.
In september 1632 vertrok de kardinaal naar Rome, waar hij lid werd van de pauselijke curie. In 1644 werd hij benoemd tot bisschop van Palestrina en in 1648 tot bisschop van Málaga.
Kort samengevat:
In zijn beginperiode als Spaans ambassadeur te Brussel (1619-1625) was de markies van Bedmar de machtigste beleidsvoerder naast Spinola onder de aartshertogen. De kardinaal, die een trouwe volgeling was van Filips IV en Olivares, zou er niet helemaal in slagen een krachtdadig beleid te voeren in de tweede helft van de jaren twintig. Vanaf 1629 vervreemde la Cueva helemaal van de inlandse bevolking, zijn macht brokkelde af ten voordele van Aytona, en hij verliet de Zuidelijke Nederlanden in mineur in 1632.
KAART

|
|
EillJ
Territories conquered or reconquered by the Dutch 1626-1648
| o | so | 100 kms |
| o | | SO miles |
De Nederlanden, 1621-1648
(J.H. ELLIOTT, The Count-Duke of Olivares. The Statesman in an Age of Decline.
New Haven, London; Yale University Press, 1986, kaart 4)
No hay comentarios:
Publicar un comentario