1.1 Zuidelijke Nederlanden
1.1.1 Aankomst en instructies
In de maand juli van het jaar 1606, toen Bedmar nog niet vertrokken was naar Venetië, overwoog de Spaanse Raad van State (Consejo de Estado) Don Alonso de la Cueva als gewone ambassadeur naar Brussel te sturen. Louis Verreyken schreef vanuit Madrid datzelfde jaar dat het zeker leek dat la Cueva naar de Nederlanden zou komen72• De toenmalige ambassadeur, de markies van Guadaleste, zou echter nog tien jaar op post blijven.
Op 7 september 1616 meldde Spinola aan Madrid dat Guadaleste overleden was en hij stelde Don Fernando Giran voor als zijn vervanger73• Pas twee jaar later gingen er stemmen op in de Spaanse Raad van State dat de behoefte aan een goede ambassadeur in Brussel dringend werd nu Albrecht ernstig ziek was74• Als de aartshertog kwam te overlijden, zou Isabella bijstand kunnen gebruiken. Bovendien waren de raadsleden van mening dat hoe meer Spaanse :functionarissen er in de Zuidelijke Nederlanden zouden zijn, hoe beter. Maar geen enkele van de toeJllllalig in dienst zijnde Spanjaarden, kwam in aanmerking voor de post van ambassadeur. Die zou moeten zorgen voor de correcte inkwartiering van de soldaten, vooral dan van de Spaanse. Verder zou hij een goede relatie moeten onderhouden met de adel en de geestelijkheid om in het kader van de contrareformatie hun toewijding aan de aartshertogen te bevorderen. In het bijzonder moest hij aandacht besteden aan de belangrijkste burgers en de magistraten van de kasselrijen en van de voomaamste steden75• Deze laatste twee punten zouden terugkomen in de instructies die Filips III aan Bedmar meegaf.
|
Don Augustin Messia, lid van de Consejo de Estado, wees de Raad erop dat in de Noordelijke Nederlanden tijdens het Bestand de handel floreerde terwijl die in het
Louis Verreycken was audirocier in de Zuidelijke Nederlanden.
73 Spinola aan Ciriza, 7/9/1616, (A RODRIGUEZ VILLA, Ambrosio Spinola. Primer marqués de los
Ba1bases. Ensayo Biográfico, Madrid, 1905, p.324.)
Don Fernando Giron was lid van de Spaanse Consejo de Guerra
74 Consulta Consejo de Estado, 3/3/1618 (AGS E. 2032, z.f.)
75 Consulta Consejo de Estado, 7/4/1618 (AGS E., 2034, z.f.)
76 Consulta Consejo de Estado, 5/5/1618 (AGS E. 2032, z.f.)
In juli 1618 liet de koning Albrecht weten dat hij Bedmar benoemd had78• Ook de onderkoningen van Napels en Sicilie, de gouvemeur van Milaan, de Spaanse ambassadeurs te Rome, Wenen, Parijs, Londen, Venetië en Genua als Ambrogio Spinola zouden van deze aanstelling op de hoogte gebracht worden79• De pauselijke nuntius werd eveneens geihformeerd over de benoeming van Bedmar 80• La Cueva had in Venetië bewezen dat de Spaanse hegemonie voor hem van groot belang was en de Consejo zag in hem een betere ambassadeur dan Guadaleste.
De verwachtingen van Filips III ten aanzien van de Bedmar resulteerden in de instructies die, nadat ze waren goedgekeurd door de Consejo de Estado, werden doorgestuurd naar Milaan, op 1 juli 161881 • Deze richtlijnen zijn een weerspiegeling van de mate van belangrijkheid van de positie van de ambassadeur.
Ten eerste moest hij zo snel mogelijk naar Brussel vertrekken, er audientie vragen bij de aartshertogen en er zijn geloofsbrieven afgeven. Er werd van hem verlangd dat hij hen diende zoals hij de koning diende.
lndien Albrecht kwam te overlijden, moest hij Isabella bijstaan en raad geven. De koning en zijn tennissters moesten, door middel van bri ven, op de hoogte gebracht worden van alle zaken die Bedmar van belang schenen. Voor zaken die niet mochten uitlekken, moest Bedmar gebruik maken van geheimschrift, waarvan de code hem was toevertrouwd. Zijn uitgaven dienden maandelijks te worden verantwoord in een brief. De ambassadeur kreeg tevens de taak na te gaan of de katholieke godsdienst werd nageleefd in de Zuidelijke Nederlanden. Als er iets zou gebeuren dat niet in
78 Filips III aan Albrecht, 1/7/1618, (CCE I, 1338)
79 Consulta Consejo de Estado, s.d., (CCE I, 1339)
80 Morraaan B' orghese, 2 II7/1618 (NdF IV, 848)
81 Consulta Consejo de Estado, s.d, (AGS E. 2232, 12-16)
Instructions données par Philippe III au marquis de Bedmar, son ambassadeur ordinaire pres les archiducs Albert et Isabelle. Madrid, II7/1618 (minute) (CCE 1, Vll).
overeenstemming was met het katholieke geloof: moest hij hiervoor een oplossing zoeken samen met de aartshertogen.
Als de rebellen zich bereid zouden verklaren terug onder Spaanse heerschappij te komen (maar die kans was wel bijzonder klein, begreep de koning), moest Bedmar deze gelegenheid aangrijpen om te onderhandelen. De aartshertog en de nodige ministers mochten gedeeltelijk op de hoogte gehouden worden.
De koning wenste het inlichtingennetwerk te behouden dat de voorgaande ambassadeurs onderhielden in de protestantse Nederlanden, zodat men informatie zou ontvangen over de oogmerken van de Noord-Nederlands op elk gebied. Bedmar diende zich in Brussel te informeren bij Pedro Sarigo de Ribera omtrent de agenten van dit netwerk en hij werd geacht hun werkzaamheden te evalueren. Spionageberichten die werden doorgegeven, moesten correct zijn en van belang. Dat zou later niet evident blijken.
Hij werd geacht aandacht te besteden aan de eventuele slechte intenties van Frankrijk en Engeland onderling en met hun buurlanden, jegens het Spaanse rijk. Tevens moest hij trachten de identiteit van Franse en Engelse spionnen te achterhalen en eventueel de Spaanse ambassadeurs in de respectievelijke landen hiermee te con: fronteren. Bedmar werd trouwens geacht met zijn collega's contact te houden, over alles wat met Frankrijk of Engeland te maken had. Hij moest toezien op de handhaving van de bestanden met Frankrijk (afgesloten in 1598) en Engeland (1604). Daarnaast hoopte Filips liT dat de ambassadeur het spionagenetwerk van de Noordnederlanders in Brussel en ook in Spanje zou oprollen.
Bedmar moest zich informeren via de graaf van Oñate, de Spaanse ambassadeur in het Keizerrijk, over de keizer en zijn houding ten aanzien van de aartshertogen. Met andere Spaanse ministers buiten Madrid moest hij vergelijkbare relaties opbouwen.
De ambassadeur werd geacht in goede verstandhouding te leven met de Hanzesteden en te vermijden dat ze zouden overlopen naar het Noordnederlandse kamp. Dat gold eveneens voor de omringende prinsdommen.
Het Bestand zou aflopen in april 1621. Er viel geen tijd te verliezen om te overleggen over een eventuele verlenging hiervan. Samen met Albrecht en Spinola moest Bedmar bekijken wat men kon ondememen om het Bestand bij te sturen in het voordeel van Spanje. De Noordelijke Nederlanden waren wel verdeeld in twee kampen: het binnenland wou vrede, de kuststeden waren voor het heropnemen van de oorlog.
Diego Lopez Sueyro was het hoofd van een inlichtingennetwerk in de Verenigde Provinciën. Zijn vertrouwelingen hadden aangeboden in het Noorden 'stappen te ondereen' opdat de rebellen er uiteindelijk mee zouden instemmen bestandsvoorwaarden te accepteren die gunstig zouden zijn voor Spanje. Manuel Sueyro, de zoon van Diego, zou Bedmar op de hoogte stellen van de vorderingen met dit plan, want als men zo tot een eervol resultaat kon komen, was het niet nodig om naar andere oplossingen te zoeken. Noch Albrecht, noch de Spaanse ministers in de Zuidelijke Nederlanden, wisten iets af van deze overeenkomst met Sueyro. Hieruit
De vertegenwoordiger van Filips III moest ervoor zorgen dat het geld dat vanuit Spanje werd verstuurd voor het leger, daar ook effectief terechtkwam, en bij de invulling van de militaire ambten door Albrecht, zou Bedmar er mee op toezien dat de geschikte personen werden uitgekozen. Er mocht geen verlof worden toegekend aan de Spaanse soldaten, want die waren te hard nodig, maar soldaten die het verdienden, mochten door Bedmar voorgedragen worden voor een beloning.
Een opdracht waar Bedmar het nog moeilijk mee zou krijgen, bestond uit het opbouwen van een goede relatie met het volk. Om te bereiken dat de Zuidnederlanders loyaal zouden zijn ten aanzien van de aartshertogen, moest Bedmar de bevolking waarderen, eren, helpen en bevoordelen. Als het volk misnoegd was, werd van Bedmar verwacht dat hij een oplossing zocht als hun verdediger en beschermer en dat hij er tegelijkertijd voor zorgde dat de bevolking trouw bleef aan de koning. Vooral de relaties met de adel, de geestelijkheid, de magistraten van de kanselarijen en van de belangrijkste steden, zoals Antwerpen, Brussel en Gent en andere, moesten goed onderhouden worden, omdat deze volgens Filips III in hoofdzaak het land regeerden. Zo zou men het goede voorbeeld geven aan de rebellen, die volgens de vorst voortdurend op hun hoede waren om de orde te verstoren.
Bedmar mocht zeker niet nalaten om personen die wilden onderhandelen met de aartshertogen of die hem wilden spreken, goed te ontvangen. Als hij ze er echter van verdacht deloyaal te zijn aan de koning, Albrecht en lsabella, of een protestantse mening aan te hangen, werd hij geacht hiervan verslag uit te brengen.
Filips III benadrukte dat Bedmar alles in het werk moest stellen om ervoor te zorgen dat de wederzijdse affectie tussen Filips III en de aartshertogen behouden bleef en groeide. La Cueva werd ook verzocht na te gaan of er aan het Brusselse hof personen aanwezig waren die deze goede relatie wilden verstoren en hij moest vermijden dat die figuren met slechte bedoelingen hun plannen konden uitvoeren.
Voorts moest hij discreet nagaan, hoe de functionarissen, die in dienst waren van de koning of die dat waren geweest, zich gedroegen in de Zuidelijke Nederlanden en moest hij deze informatie doorspelen aan Filips III. Ook zou hij schrijven over mogelijke gebeurtenissen die de vorst en de aartshertogen schade zouden toebrengen. De koning sloot de instructies af in de hoop dat Bedmar zijn taak zou blijven uitvoeren op een behoedzame manier.
La Cueva zal zich redelijk goed houden aan deze taakinvulling, dus geven ze een overzicht van wat zijn carrière in de Zuidelijke Nederlanden grosso modo zou inhouden.
Verder somde de koning de belangrijkste Zuid-Nederlanders op, met onder andere Louis Verreycken en Peckius. Hij liet Bedmar weten dat hij zeer tevreden over hen was, opdat Bedmar hen naar waarde zou schatten82•
Op 9 november 1618 meldde Ribera aan de Spaanse vorst dat de markies van Bedmar in functie was getreden83• Op 31 oktober 1619, bereikte Bedmar Brussel en meldde hij zich aan bij de aartshertogen. Deze konden hem pas later ontvangen wegens ziekte maar op 21 november schreef Albrecht de koning dat Bedmar zijn geloofsbrieven had afgegeven aan de aartshertogen, zoals hem was bevolen in zijn instructies84•
In de periode van Bedmar aankomst in Brussel, werden Albrecht en Isabella geconfronteerd met het protest van deze stad tegen de voortzetting van het heffen van taksen op bier, wijn, brood en vlees. De regering had de regel van eenstemmigheid bij de goedkeuring van de bede niet geëerbiedigd (bekend als de 'vervanghenisse'). Zonder de instemming van de Staten van Brabant af te wachten, was door de overheid tot de halfjaarlijkse verlenging van de bede besloten. Toen de ambachten vervolgens de heffmg van de accijnzen verhinderden en tot geen toegeven bereid bleken, lieten de aartshertogen uiteindelijk Spinola met een deel van zijn troepen binnenrukken in Brussel om het verzet te breken. Zo werden de Brusselse ambachten uiteindelijk tot de verlenging van de bede gedwongen85• La Cueva zal van de onrust niet veel gemerkt hebben, omdat de toestand bij zijn aankomst weer normaal was86• Toch had hij een duidelijke mening over de onlusten. Bedmar vergeleek de opstand van Brussel met het
83 Ribera aan Filips III, 9/ II/1618, (CCE 1, 1351)
84 Bedmar aan Filips III, III II/1619, (CCE 1, 1435) Albrecht aan Filips III, 21/ III1619, (CCE 1, 1437)
85 P. JANSSENS, art.cit., pp.317-318.
K. VAN HONACKER, "The Archdukes and Their Subjects: The Politica1 Culture of the Citizens in the
86 Filips III aan Albrecht, 5/ III1619, (CCE 1, 1434)
protest in 1537-1539 van de Gentenaars tegen Karel V 87• De Brusselaars mochten voor hem harder gestra:ft worden dan de Gentenaars, want de opstand was een aanstootgevend precedent.
Samen met een aantal ministers zoals Spinola, de grafvaas Añover en de biechtvader van Albrecht, was hij van mening dat, omwille van de ziekte van de aartshertog, het niet gepast zou zijn het garnizoen uit de stad terug te trekken. Op 1 januari 1620 sprak: Bedmar hierover met Albrecht en raadde hem aan niets te ondememen zonder Filips III te raadplegen. Toch verordende de aartshertog de terugtrekking van de troepen. Hij voerde als argumenten aan dat het gevaar geweken was en dat hij zijn goede wil moest tonen ten aanzien van zijn onderdanen. De ambassadeur verdacht Albrecht ervan zich te hebben laten beinvloeden door Isabella, die zich volgens Bedmar altijd vergevingsgezind opstelde in soortgelijke situaties. Volgens Bedmar hadden de Brusselaars daar misbruik van gemaakt en verdienden ze niet beter dan als ketters te worden behandeld, die roen nog scherper in het oog moest houden dan 'de andere'.
La Cueva had deze informatie nog niet doorgegeven aan de koning in afwachting van de omhaling van de bede. Die was zonder problemen verlopen, wat voor la Cueva het bewijs was dat roen de vleugels van het volk af en toe moest kortwieken, om nieuwe opstanden te vermijden88.
Bedmar visie was al vanaf zijn aankomst in tegenspraak: met de meer begripsvolle aanpak: die hem werd gesuggereerd in zijn instructies.
1.1.2 Introductie in de junta's
Zoals reeds aangetoond waren de junta's, die vergaderden in het aartshertogelijk paleis, van groot belang voor het bestuur van de Zuidelijke provincien. Reeds voor de aankomst van Bedmar, besliste de Consejo de Estado dat de ambassadeur in een aantal van hen zou zetelen.
In 1617 ontstond er discussie tussen Albrecht en Spanje over het al dan niet installeren van een junta die de verantwoordelijkheid zou krijgen over de militaire fmancien (Junta de Hacienda). Albrecht beheerde tot dan toe die fondsen, samen met Spinola, maar de Consejo de Estado was niet tevreden over de uitgavepolitiek en besliste tegen de zin van de aartshertog en de bevelhebber van het leger in, dat de junta er zou komen. Ze zou bestaan uit de ambassadeur, Spinola, de verdor generaal (hoogste functionaris van het Spaanse leger in de Zuidelijke Nederlanden, dat onder andere
|
88 Bedmar aan Filips III, 18/5/1620, (CCE 1, 1479)
89 J. LEFEVRE, "Le Ministere Espagnol ...", p.209.
21
die zich toen in de Zuidelijke Nederlanden bevonden90• Deze junta zou belast worden met de organisatie van de komst van zesduizend extra Spaanse manschappen naar de Zuidelijke Nederlanden. De soldaten zouden gelegerd worden te Oostende en moesten de forten van Kamerijk, Gent en Antwerpen herstellen. Om de aartshertog te misleiden, die zou kunnen denken dat deze maatregelen werden genomen in het vooruitzicht van zijn dood, kon men hem erop wijzen dat het Bestand op zijn einde liep en dat er voorzorgsrnaatregelen moesten worden genomen91 •
Guadaleste reeds had laten verstaan dat hij niet zou deelnemen aan deze junta als hij hem niet mocht voorzitten en de Consejo de Estado bevestigde; nog voor de komst van Bedmar, dat de ambassadeur volgens de gewoonte voorging op Spinola. Filips III deelde dat ook mee aan de superintendenten en de aartshertog92 • Albrecht deelde die mening niet en vond dat het wel de taak was van de ambassadeur om in officiële plechtigheden het voortouw te nemen, maar de junta, waarin hij enkel als raadslid zou fungeren, zou door Spinola moeten worden geleid, die immers lid was van de Spaanse Raad van State. Deze Raad stelde drie mogelijke oplossingen voor: de Junta de Hacienda zou bijeen komen in het huis van Spinola onder voorzitterschap van Bedmar, of in het huis van Bedmar onder leiding van Spinola, of in het paleis van de aartshertogen, waar Bedmar voorzitter zou worden maar Spinola als lid van de Raad van State wel het recht zou krijgen om als eerste te stemmen93• Aangekomen in Brussel nam Bedmar de mogelijkheden in overweging en koos voor de laatste omdat deze volgens hem de voorkeur droeg van Albrecht94• Bedmar hechtte er dus belang aan op goede voet te staan met de aartshertog. Filips III keurde la Cueva ‘s keuze goed95•
Op het einde van het jaar 1620 maakte de junta de begroting op voor het komende jaar. Er werden vierhonderdduizend ducaten vrijgemaakt voor de operaties in het Roomse Rijk, voor de Palts mínimum een miljoen, voor de armada van de Zuidelijke Nederlanden driehonderdduizend en voor de herstelling van versterkingen werden er honderd\}izend dukaten uitgetrokken. In totaal betekende dat een bedrag van duizend achthonderd miljoen dukaten, zonder de gewone uitgaven erbij te rekenen, waarvan er nog zeshonderdduizend moesten voorzien worden door Madrid96•
91 Consulta Consejo de Estado, 7/4/1618, (AGS E 2034, z.f.)
92 Consulta Consejo de Estado, 16/10/1618, (AGS E 2032, z.f.) Filips III aan Spinola, 27/10/1618, (AGS E 2232, f. II9)
Filips III aan Albrecht, 27 II0/1618, (AGS E 2232, f.120)
93 Consulta Consejo de Estado, 15/12/1618, (AGS E 2033, z.f.)
94 Bedmar aan Filips III., 8/12/1619, (CCE 1, 1440)
95 Filips III aan Bedmar, 3/2/1620 (AGS E 2232, f.367)
96 Cerca de las provisiones generales que trata de hazer el consejo de hazienda para el año que viene, 24/12/1620 (AGS E 2034, f.126-128)
Na de dood van Secretaris van State en Oorlog werd zijn functie verdeeld tussen Mathéo de Urquina en Pedro de San Juan97• Deze laatste werd door Bedmar voorgedragen als Secretaris bij Filips III98• Maar de koning koos ervoor om de functie te verdelen en tevens een Junta de Guerra (commissie van oorlog) op te richten, omdat Urquina en San Juan niet in staat waren de belangrijke Juan de Mancicidor volledig te vervangen. Don Iñigo de Borja, die de bevelhebber van de citadel van Antwerpen was, graafFederico, de veedorre general, Spinola en Bedmar zouden zeker deel uitmaken van de junta en verder eventueel de bevelvoerders over de citadels van Kamerijk en Gent99 .
Waarschijnlijk vanuit zijn functie van raadslid van de Junta de Guerra, pleitte Bedmar bij de Consejo de Estado voor het beperkt toelaten van de Zuidnederlandse adel in de Spaanse infanterie. Als de adel samen zou opgeleid worden met de Spanjaarden, zou er een band kunnen ontstaan tussen deze edellieden en de Spaanse natie. Zonder het bestaan van deze band zou het bijna onmogelijk zijn voor de Spaanse vorst om iets in deze landen te verwezenlijken. De Raad besloot in particuliere gevallen de adel toe te
|
Aan Albrecht
|
|
In 1621 vond er een zwaar conflict plaats in deze junta tussen de veedorre general, Don Christoval de Benaviente y Benavides, en de markies van Belveder. De ruzie was zo hevig dat de veedorre general aan Isabella toelating vroeg om naar Spanje te vertrekken De Infanta weigerde deze vergunning te verstrekken en droeg de markies van Bedmar en de priester-broeder Domingo van de ongeschoeide karmelieten op, te onderhandelen tussen de twee en hen te kalmeren. Hun pogingen waren tevergeefs; de veedorre general vertrok toch, vermoedelijk naar Madrid. Hij werd voorlopig vervangen
|
98 Bedmar aan Filips III, 16/12/1619 (CCE 1, 1443)
99 Consulta Consejo de Estado, 1417/1618, (AGS E 2032, z.f.) Filips III aan Albrecht, 30/8/1618, (AGS E 2232, f.139)
10°Consulta Consejo de Estado, 29/2/1620 (AGS E 2034, f.55)
101 Consulta Consejo de Estado, 9/5/1620 (AGS E 2034, f.96)
102 Filips IV aan Bedmar, 3 II5/1620 (AGS E 2232, f. 339) Filips IV aan Bedmar, 31/5/1620 (AGS E 2232, f.347)
103 lsabella aan Filips IV, 16/8/1621, gelezen te Madrid 30/8/1621 (AGS E 2035, f.93)
Een derde junta waarvan Bedmar zou deel uitmaken in 1620, werd opgericht a1s
overlegcommissie over het al dan niet verlengen van het Bestand 104.
1.1.3 Opnieuw onder Spaans bewind
In 1620 ging de gezondheid van Albrecht achteruit en de Consejo de Estado begon
|
Oorspronkelijk was
voorzien dat Isabella enkel zou regeren over het land en dat Spinola de legerleiding op zich zou nemen. Bij nader toezien vond een Spaanse Junta de Estado, bestaande uit de inquisiteur-generaal van Spanje, de biechtvader van de koning en de oud-ambassadeur te Brussel, Zuñiga, dat daar meer nadelen aan waren verbonden dan voordelen. De Zuidelijke Nederlanden zouden 'onmogelijk' te besturen zijn met twee hoofden en de junta besliste om Isabella met beide functies te belasten, in navolging van de hertogin van Parma en Maria van Hongarije. Bedmar kreeg de opdracht de betreffende akte in ontvangst te nemen van Pedro Sarigo de Ribera en hij werd belast met de moeilijke opdracht om Spinola ervan overtuigen te te berusten in de positie van luitenant van de Infanta. Ten derde werd van Bedmar verlangd dat hij met veel handigheid en op een sluwe manier zou polsen bij Iñigo de Brizuela, of Albrecht, zo vooruitziend en behoedzaam als hij was, al een testament had opgemaakt en of er aantekeningen
|
Bedmar praatte met Spinola die zich zonder problemen schikte naar de beslissing van de koning. Na het gesprek pleitte de ambassadeur ervoor Spinola eer te betonen en te voldoen aan zijn wensen: Spinola wilde zijn orders rechtstreeks van Isabella ontvangen zoals dat ook onder de aartshertog was gebeurd; Hij was er voorstander van om militaire zaken te blijven toevertrouwen aan een junta. En ten derde hoopte hij dat de titel van kapitein-generaal voor een langdurige betrekking zou worden toegekend, en hoewel Spinola zichzelf niet expliciet kandidaat stelde, was het wel duidelijk volgens Bedmar dat hij gebrand was op het veilig stellen van zijn toenmalige
|
Wat dit laatste punt aanging, vonden de raadsleden het niet nodig op dat moment het legerbestuur te veranderen. Ze verkozen te wachten tot Albrechts dood, om Spinola te promoveren. Dan zou de zaak opnieuw onderzocht worden, want de titel die hij toen
105 Consulta Consejo de Estado, 2 II5/1620 (AGS E 2034, f.2-5)
106 Consulta Junta de Estado, 25/4/1620 (AGS E 2034, z.f.)
107 Bedmar aan Filips III, 2/9/1620 gelezen te Madrid 13/9/1620 (AGS E 2035, z.f.)
|
Bedmar had de documenten in zijn bezit voor de machtsovemame van Isabella. Deze waren geschreven in februari 1601. La Cueva raadde dan ook aan ze minstens te herdateren. De koning besliste op vraag van de ambassadeur om de papieren van de overdracht opte stellen in het Latijn. Het Frans, het Nederlands en het Latijn waren de drie gebruikte talen in die gewesten voor dergelijke officiele aangelegenheden en door ze niet in het Spaans opte stellen kon men, volgens Bedmar, protest in de Zuidelijke Nederlanden vermijden. Ook raadde hij de vorst aan een nieuw document op te stellen in verband met het militaire bestuur van de Spaanse Nederlanden. Daar was elke dag meer behoefte aan, nu Albrecht oud en ziek was en de oorlog met de Noordelijke
|
Filips III was op 31 maart 1621 gestorven en zijn zoon Filips IV volgde hem op. De nieuwe vorst liet Bedmar de tekst bezorgen voor de eventuele ovemame van de Zuidelijke Nederlanden door Isabella en vroeg hem hoe men kon bewerkstelligen dat
|
Op 13 juli 1621 overleed aartshertog Albrecht. Bedmar had Isabella dezelfde namiddag de nodige documenten bezorgd: één voor het levenslange bestuur van de
|
Isabella nam het
bestuur op zich omdat ze dat beloofd had aan Albrecht, maar weigerde dit voor het leven aan te nemen. Ze beloofde wel de functie van landvoogdes niet op te geven, voor dit op een verantwoorde manier mogelijk was 113• De Consejo de Estado besliste om
|
Achteraf
109 Bedmar aan Filips IV, II3/1621, ge1ezen te Madrid 16/3/1621 (AGS E 2035, z.f.)
Consulta Consejo de Estado, 22/3/1621 (AGS E 2035, f.6-7)
110Filips IV aan Bedmar, 22/4/1621 (AGS E 2233, f.81)
111 Filips IV aan Bedmar, 10/6/1621 (AGS E 2233, f.100)
112 Isabella aan Filips IV, 2617/1621, gelezen te Madrid 14/8/1621 (AGS E 2035, f.15) Instructies van IsabeUa aan Augustin de Messia, 2617/1621 (CCE II, 67)
De documenten dateerden toch van 1601, maar een bijhorend document bevatte een ratificatie van
Filips IV
C. Flacchio aan Ludovisi, 1717/1621 (NdF V, 30)
113 Isabella aan Filips IV, 2517/1621 (CCE ll, 66)
114 Consulta Consejo de Estado, 24/8/1621 (AGS E 2035, f.8)
bleek de ongerustheid over het testament van Albrecht ongegrond, want het bevatte geen politieke mededelingen 115•
Een maand later berichtte Bedmar aan Filips IV dat hij de brieven overhandigd had aan de aartshertogin. Hij condoleerde Isabella vanwege de vorst en uitte in naam van Filips IV zijn waardering, omdat de Infanta de regering van het land op zich genomen had. Bedmar vertelde Isabella erbij dat hij dit gedaan had in afwachting van de kornst van een speciale gezant uit Madrid 116•
De ambassadeur was er voorstander van om Isabella meer bevoegdheden te geven dan de gouvemeurs in het verleden hadden gekregen. Bedmar schatte de aartshertogin hoog in. Bovendien had deze al een zekere leeftijd en zou er geen opvolger komen. De markies wilde op deze manier de mogelijkheid uitschakelen dat de landvoogdes haar
|
Toch vond hij het noodzakelijk aan de macht
van Isabella restricties opte leggen zodat de Zuidelijke Nederlanden zouden wennen aan het feit dat de Spaanse vorst opnieuw (en nu ook officieel) het hoogste gezag vertegenwoordigde. De ambassadeur drong er bij Filips IV op aan dat hij belangrijke benoemingen op zich zou nemen en titels zelf zou uitreiken.
Bedmar dacht dat het misschien noodzakelijk zou zijn om ministers aan te stellen en een Zuidnederlandse secretaris, zoals die bestonden voor de Afstand. Maar hijzelf vond het beter uit elke provincie een raadslid af te vaardigen, waarbij de provincien zelf de lonen zouden betalen.
Wat betrofhet eventuele behoud van het Spaanse ambassadeursschap, achtte la Cueva het vooral van belang, dat de aartshertogin geassisteerd werd door een Spaanse minister van de koning, die tussenkwam als het nodig was en die de koning op de hoogte hield. Daarvoor had de vorst, volgens la Cueva, niet genoeg aan Spinola, die vaak op het slagveld was.
Bedmar vond dat Albrecht de katholieke godsdienst altijd in ere had gehouden maar dat hij faalde in zijnjurisdictiepolitiek ten aanzien van de Verenigde Provinciën en ten aanzien van Frankrijk. Albrecht volgde daarin teveel zijn eigen inzichten die niet strookten met de intenties van de vorst. Bedmar moest hem regelmatig bijsturen en had de vorst in Spanje dezelfde politiek gevoerd Albrecht, 'zouden er ergere
|
De Spaanse raad steunde het voorstel van Bedmar om Isabella meer macht toe te kennen. Filips IV droeg de ainbassadeur op om na te gaan in Brussel wat precies de
116 Bedmar aan Filips IV, 19/8/1621, ge1ezen te Madrid 30/8/1621 (AGS E 2035, z.f.)
117 Bedmar aan Filips IV, 23/7/1621, gelezen te Madrid 14/8/1621 (AGS E 2035, f.12) Bedmar aan Filips IV. 2617/1621, gelezen te Madrid 14/8/1621 (AGS E 2035, f.13-14)
118 Bedmar aan Filips IV, 23/7/1621, gelezen te Madrid 14/8/1621 (AGS E 2035, f.12)
bevoegdheden, de inkomsten en de verplichtingen waren van de voorgaande gouvemeurs. Toen de koning na drie maanden nog geen antwoord had gekregen,
|
(Pas een jaar later zou Bedmar de gevraagde
documentatie opsturen120) De raadsleden beaamden dat haar macht niet onbeperkt mocht zijn en lieten Bedmar in zijn ambt. De markies van Aytona beschouwde het als een eer voor Isabella dat de Spaanse ambassadeur in functie bleef. De Consejo de Estado concludeerde dat, aapgezien de vorst Bedmar na de dood van Albrecht was blijven aanschrijven als ambassadeur, het best was voorlopig niets te veranderen en na verloop van tijd de zaak te evalueren. Een wijziging van de situatie zou voor problemen kurmen zorgen op het vlak van de regering en zou de autoriteit van de landvoogdes kurmen ondermijnen. Wel drukten el duque del Infantado, de markies van Villafranca en de markies van Montesclaro op het belang van een (andere) sterke Spaanse persoonlijkheid naast de aartshertogin. De vorst volgde de mening van de
|
Een maand eerder hadden verschillende raadsleden reeds geopperd iemand naar de Zuidelijke Nederlanden te sturen om Isabella te condoleren en bij te staan in het bestuur. El duque del infantado was van mening dat noch Spinola, noch Bedmar hiervoor geschikt waren. Spinola zou de landvoogdes voorbij lopen op militair vlak en Bedmar ontbrak het aan stand en autoriteit, nodig voor deze opdracht. De graaf vond ook dat de financiën en hét leger in de Zuidelijke Nederlanden slecht beheerd werden. Zowel majoor-commandant de Leon als de markies van Aytona erkehden Bedmar werk, wat niet weg nam dat er ook volgens hen iemand anders naast lsabella moest komen. De koning verklaarde zijn raden te raadplegen wat betreft de bevoegdheden
|
Uiteindelijk vond men de geschikte
persoon niet of werd de introductie van een krachtige persoonlijkheid in het bestuur van de Zuidelijke Nederlanden toch niet zo belangrijk geacht want er werd, voor zover wij weten, niemand voor langere tijd gezonden.
Typerend voor zowel Bedmar als Isabella was, dat de landvoogdes de condoléancebrieven beantwoordde in het Frans en niet in het Spaans. Bedmar achtte
|
Voor het geval dat Isabella zou overlijden of voor het geval dat er zich een andere noodsituatie zou voordoen, legde Filips IV een interimbestuur vast. Spinola zou de
120 Bedmar aan Filips IV, 13/ III1622, gelezen te Madrid 26/ III1622 (AGS E 2036, f.61)
121 Consulta Consejo de Estado, 24/8/1621 (AGS E 2035, f.S)
122 Consulta Consejo de Estado, 30/7/1621 (AGS E 2035, f.94)
123 Bedmar aan Filips IV, 9/10/1621 (CCE II, 93)
leiding krijgen over het leger en de burgerlijke regering zou waargenomen worden door Spinola, Bedmar, de aartsbisschop van Kamerijk, de prins van Legni en de graaf van Salazar. Filips IV verleende hen dezelfde bevoegdheden die de graafvan Fuentes
|
No hay comentarios:
Publicar un comentario