martes, 10 de enero de 2012

8


2.2.5 Spionage


2.2.5.1 Inlichtingennetwerk la Cueva


De spionageberichten van Bedmar bleven een essentieel deel vormen van zijn correspondentie met Madrid. Zoals reeds vermeld, stelde hij de koning op de hoogte van de manoeuvres van de Noordnederlandse vloot, zowel wat betre:ft de handels- als de oorlogsschepen364• Andere onderwerpen die steeds terugkwamen, waren het tekort aan geld bij de rebellen, de terugloop van hun handelsactiviteit, de contacten met Engelsen, Franse ketters en de Boheemse opstandelingen.


Bij wijze van voorbeeld volgen hier de verschillende thema's uit een brief van april 1622.
Uit boodschappen die de ambassadeur ontving uit de Verenigde Provincien, bleek dat de Staatse cavalerie met gelijkaardige problemen te kampen had als de Spaanse, namelijk dreigingen tot muiterij wegens een tekort aan betalingen. Graaf Maurits gebruikte geld dat bestemd was voor de Westindische Compagnie om de cavaleristen tevreden te stellen. Ook de matrozen hadden klachten. Ze beschikten over onvoldoend geld om van te leven vanwege de terugloop van de handelsactiviteiten, niettegenstaande men onder hen meer dan honderd twintig vrijbrieven tot kaapvaart had verdeeld.
Een ander fragment uit dezelfde brief aan de koning behandelt het verdrag dat de Staatsen sloten met de Turken en de piraten uit Algiers. De koning van Marokko en de Venetianen Republiek zouden hierbij bemiddeld hebben. Ook bepaalde ketterse handelaars uit Frankrijk sloten een overeenkomst met de Noordnederlanders. In ruil voor een bepaalde som geld sloten de Fransen zich aan bij de Staatse kapers in de hoop een grote buit te halen aan de kusten van Galicie en Portugal. De rebellen zorgden bovendien voor bevoorradingen van de Palts, om de situatie zoveel mogelijk in hun voordeel te keren365•


Reeds in 1622 gaf Bedmar kennis van de plannen van de rebelse provinciën om naar Brazilie te varen. De armada zou onder leiding staan van Don Christobal de Portugal, maar volgens de ambassadeur viel er niet veel te vrezen366 • Filips IV dacht daar anders over en vroeg nadrukkelijk om meer gegevens367•
Op 10 april van datzelfde jaar schreef de koning een brief, gericht aan Spinola en la Cueva, als leden van een niet gespecifieerde junta, met de vraag naar informatie over de kwaliteit en de kwantiteit van de Noordnederlandse schepen die ingezet zouden


364 zie supra Noordnederlanders op zee pp.68-70
365 13edmar aan Filips IV, 30/4/1622, gelezen te Madrid 20/5/1622 (AGS E 2036, z.f.)
366 Bedmar aan Filips IV, 10/1/1622, gelezen te Madrid 25/l/1622 (AGS E 2036, z.f.)
367 Filips IV aan Bedmar, 18/5/1622 (AGS E 2233, f.203)


worden tegen de Zuid-Nederlandse armada. Filips IV wou informatie over de betrokken havens, van welke manschappen, artillerie, munitie en proviandering de Staatsen gebruik zouden maken, wat hun oogmerken waren, wanneer ze zouden klaar zijn om uit te varen en of de schepen samen zouden opereren ofverdeeld368•


Vanaf 1623 kwam prins Maurits regelmatig voor in de wederzijdse berichten van de koning en de kardinaal. Vanaf februari van dat jaar maakte la Cueva melding van een mogelijke samenzwering tegen de prins, beraamd door de Arminianen. Maurits was erg op zijn hoede en de koppigheid van zijn vijanden was groot, zodat Madrid dacht dat er iets te gebeuren stond369•
In 1624, tijdens de belegering van Breda door Spinola, wist de ambassadeur dat graaf Maurits niet van plan was Den Haag te verlaten en dat hij verdedigend te werk zou gaan370• Kort voor de inname van de stad, liet la Cueva Madrid weten dat Maurits zo ziek was dat hij waarschijnlijk geen veldtocht kon leiden, maar dat er wel soldaten werden samengebracht om Breda ter hulp te schieten371•
Op 23 april stierf Maurits en hij werd opgevolgd door zijn broer, graaf Hendrik van Nassau. La Cueva was van mening dat, hoewel van Nassau, een Arminiaan, met eenparigheid van stemmen was verkozen door allemaal Gomaristen, er onenigheid zou komen. Omdat de Gomaristen de graaf zo hoog achtten, zouden de Arminianen op hun strepen staan372•
Kort daarna had la Cueva Filips IV gemeld dat van Nassau niet tevreden was omdat hij niet dezelfde bevoegdheden kreeg als zijn broer. De koning spoorde de Infanta aan om daar profijt uit te halen en de graaf oor de Spaanse zaak te winnen373•
De ambassadeur stelde de koning op de hoogte van een overeenkomst die men in Frankrijk had afgesloten met de rebellen in verband met het verlenen van bijstand in de oorlog, wat Filips IV ten zeerste apprecieerde374• In oktober 1624 meldde la Cueva zijn vermoeden vaneen Noord-Nederlandse aanval op de citadel van Antwerpen, en van de wijze waarop dat zou gebeuren. Filips IV droeg Bedmar op samen met Isabella de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen, wegens het belang van de citade175.


La Cueva specialiseerde zich in het versturen van negatieve berichten over de rebellen. Hij schreef in de zomer van 1625 over de aanzienlijke schade die de Zuid-Nederlandse


368 Filips IV aan Bedmar en de los Balbases, 10/4/1622 (AGS E 2233, f.191)
369
la Cueva aan Filips IV, 18/2/1623 (CCE II, 381)
Filips IV aan la Cueva, 26/5/1623 (AGS E 2233, f.349)
37° Consulta Consejo de Estado, 14/9/1624 (AGS E 2038, f.21)
371 Consulta, Consejo de Estado, 10/4/1625 (AGS E 2039, f.3)
372 Consulta, Consejo de Estado, 21/5/1625 (AGS E 2039, f.71)
373 Filips IV aan Isabella, 31/5/1625 (CCE  II, 713)
374 Filips IV aan la Cueva, 16/9/1624 (AGS E 2234, f.98)
375 Filips IV aan la Cueva, 21/12/1624 (AGS E 2234, f.143)


armada toebracht aan de Noord-Nederlandse handelaars en hoe de Staatsen gewapende escortes voorzagen en premies uitloofden aan wie de Spaanse kapersschepen schade toe zou brengen. Hij berichtte over de neergang van de Westindische Compagnie door het verlies in Brazilie en doordat ze, vanwege meningsverschillen met de Engelsen, het Kanaal niet meer zouden gebruiken als doorgang voor hun schepen maar langs Ierland en Schotland zouden varen. De brief vermeldde voorts dat Maurits' populariteit daalde en dat het leger van Hendrik van Nassau geteisterd werd door de pest. Bovendien zaten de Verenigde Provinciën in grote geldnood, waardoor er steeds zwaardere belastingen werden ingevoerd. Een geestelijke die in de Noordelijke Nederlanden de sacramenten toediende, liet de kardinaal weten dat, als hen nog meer tegenslagen zouden overkomen, ze 'zich sneller naar hun plicht zouden schikken dan
gedacht werd' ofmet andere woorden, ze zich zouden overgeven aan de Spanje 376•


2.2.5.2 Inlichtingennetwerk Sueyro


In juni 1622 schreef de koning Bedmar aan, in niet mis te verstane bewoordingen. Filips IV had berichten ontvangen over de schade die de Staatsen hadden toegebracht in Brabant en hij had begrepen dat zijn bronnen uit Brussel de situatie minder erg hadden voorgesteld dan ze was. Erger nog vond hij nog dat men in de Zuidelijke Nederlanden, zoals ook te Madrid, op de hoogte was van een mogelijke aanval, waaruit bleek dat er geen of te weinig voorzorgsmaatregelen genomen waren. De ambassadeur werd opgedragen te onderzoeken wat er precies was fout gelopen en dit onder de grootste geheimhouding377•
B1eek dat Manuel Sueyro een brief naar de koning had gestuurd om zijn beklag te doen over Bedmar. Op 9 maart had de hoofdinformant de ambassadeur ingelicht over de inval die de rebellen zouden doen in Brabant en die ook effectief plaatsvond op 17 mei. Bedmar, die dus ruim de tijd had gehad om voorzorgsmaatregelen te treffen, had geweigerd dit te doen. De Consejo de Estado besloot een bedankbrief naar Sueyro te sturen en aan Bedmar verantwoording te vragen378• Omdat de vorst tevreden was over de kwaliteit van het spionageberichten die Sueyro leverde, droeg hij Bedmar bovendien op, de spion een extra vergoeding toe te kennen van duizend florijnen 379• Filips IV spelde Bedmar de les en wees hem op de desastreuze gevolgen van zijn gedrag. Bedmar reageerde zich af op Sueyro door geen enkel document meer van hem te willen ontvangen en zo bleef het proces zich herhalen.380



376 Consulta, Consejo de Estado, 28/8/1625 (AGS E 2039, f.24)
377 Filips IV aan Bedmar, 17/6/1622 (AGS E 2233, f.212-213)
378 Consulta Consejo de Estado, 18/6/1622 (AGS E 2036, f.54-62)
379 Filips IV aan Bedmar, 12/7/1622 (AGS E 2233, f.232)
380 M.A ECHEVARRIA BACIGALUPE, op.cit., p.181.


Als lid van de Junta de Armadas in Madrid, waar men enkele brieven van Sueyro aan Olivares had behandeld, vroeg Aroztegui meer informatie over de persoon van de informant. De vorst beval Sueyro aan. La Cueva leek niet tevreden over hem, gaf de koning toe, maar hoewel men hem dikwijls om een reden daarvoor had gevraagd, had hij nooit een duid lijk antwoord gegeven. Filips IV vervolgde met meer informatie over Sueyro en gaf de raad om zich niet op de boodschappen van Sueyro alleen te baseren, maar af te wachten of ze werden bevestigd door andere ministers uit de Zuidelijke Nederlanden381•
Op het einde van het jaar kwam er nog een conflict tussen de twee boven water. Sueyro had een paspoort aangevraagd bij Bedmar voor een boodschapper. Volgens de ambassadeur had de Portugees niet laten verstaan dat het paspoort voor een vertrouweling bedoeld was. Bovendien leefde de aartshertog nog ten tijde van de aanvraag, voor wie hij dit alles moest verbergen. En zou Sueyro hem nu om dat paspoort verzoeken ('que cesa aquello'), hij zou het onmiddellijk krijgen. Het was trouwens niet zo dat, zonder dat paspoort, heel Sueyro's netwerk stil lag, besloot Bedmar deze passage in zijn brief 82•
Vanwege het langdurige conflict tussen de twee had men vanuit Madrid besloten dat Sueyro ook rekenschap zou afleggen aan Isabella maar in 1623 begon Sueyro ook meningsconflicten te krijgen met haar383. Het was nu ook de Infanta die instond voor de betalingen aan de spion384 • Vanaf die periode stopten echter Sueyro's klachten over la Cueva. Waarschijnlijk hadden ze uiteindelijk toch een manier gevonden om samen te werken, alhoewel de wederzijdse antipathie niet zou verdwijnen385 •



















381 Filips IV aan ArozteguL 17/10/1622 (AGS E 2233, f.276)
382 Bedmar aan Filips IV, 13/ III1622, gelezen te Madrid 26/ III1622 (AGS E 2036, f.61)
383 Consulta Consejo de Estado, 1717/1623 (AGS E 2037, f.22)
384 Filips IV aan Isabella, 3113/1623 (CCE II, 395)
385 M.A ECHEVARRIA  BACIGALUPE, op.cit., p.182



2.3 Keizerrijk


Het Spaanse leger werd zoals reeds gesteld, in 1621 in drie legerkorpsen onderverdeeld. Het Paltsleger belegerde met succes Frankenthal. In 1622 maakte een inval van Brunswijk, een Duitse generaal, in de Palts de afsplitsing van een vierde legerkorps noodzakelijk dat met behulp van de Ligatroepen het protestantse leger tot de aftocht dwong. Het Paltsleger zelf rukte op naar Luxemburg, ter verdediging van de Zuidnederlandse grens tegen een aanval van Mansfeld en Brunswijk die zich in de Elzas hadden verenigd. Beide generaals werden toerr door Frederik van de Palts, die het over eeh diplomatieke boeg gooide, ontslagen, maar werden onmiddellijk door de Verenigde Provincien opnieuw in dienst genomen. De Staatsen kregen hulp van Mansfeld bij het beleg van Bergen op Zoom. De generaal was in Henegouwen doorgebroken. Het Paltsleger dat hem de toegang moest beletten, bracht hem weliswaar in de slag van Fleuris een zware nederlaag toe, maar toch wist hij met een deel van zijn leger naar de Noordelijke Nederlanden te ontkomen.
De veldtocht van 1623 speelde zich opnieuw volledig binnen het Rijk af, waar Beieren en Spanje de oorlog beëindigden met een overwinning. Nadat de Ligatroepen Brunswijk een beslissende nederlaag hadden toegebracht, liet Maximiliaan van Beieren zich echter niet overtuigen tot een gezamenlijke actie met Spanje tegen de Verenigde Provinciën. De hertog volgde namelijk met wantrouwen de verdere Spaanse exp¡msie in het hertogdom Kleef en in Ravensberg. Ook was hij niet echt enthousiast over de Spaanse aanwezigheid in de Palts, waar de linker Rijnoever werd bezet. In opdracht van Maximiliaan voltooide Tilly, de aanvoerder van de troepen van de Katholieke Liga, de verovering van de oostelijke Rijn-Palts. Ondertussen had de keizer aan Maximiliaan van Beieren het beheer verleend over het door de Liga bezette Paltsgedeelte, evenals de hieraan verbonden keurvorstelijke waardigheid. Dit laatste werd hem op voorlopige basis toegekend, omwille van het Spaans verzet.
De Spaanse tussenkomst in de Dertigjarige oorlog had dus niet de beoogde resultaten opgeleverd: Beieren was niet over te halen tot een bondgenootschap tegen de Staatsen, terwijl Wenen, ondanks zware Spaanse diplomatieke druk, de hertog het keurvorst schap had toegekend386•


Eind 1622 bracht Bedmar verslag uit over een bezoek van baron Digby, ambassadeur van Engeland, aan lsabella. Nog voor zijn aankomst in Brussel, had de baron melding gedaan bij zijn vorst over een wapenstilstand voor de Palts. Hij ging er vanuit dat de belegering van Frankenthal met een sisser zou aflopen voor de Spanjaarden. Toen het nieuws Brussel bereikte dat de plaats ingenomen was en lsabella hem duidelijk maakte dat van een bestand geen sprake was, drong hij niet meer aan. Bedmar interpreteerde zijn gedachtengang als volgt: met de zekerheid van die plaats en met de aankomst van


386 P. JANSSENS, "De landvoogdij...", pp.372-373.


Mansfeld zouden de zaken er zo voor staan dat de Spanjaarden zelf om een wapenstilstand zouden vragen. Bedmar hoopte dat Gondomar, Spaans ambassadeur te Londen, de Engelsen tot andere inzichten zou kunnen brengen387•
Bedmars mening over de houding van de Fransen was nog veel afwijzender. Ze hadden niet alleen nagelaten iets tegen Mansfeld te ondememen, maar stelden het verlies, dat de Spanjaarden geacht werden te lijden in Frankenthal, boven de zege van de uitschakeling van Mansfeld388•
•
 
De ambassadeur had ook in deze materie de gewoonte ontwikkeld Madrid op de hoogte te houden van de recentste ontwikkelingen 389


In maart 1622 liet Filips IV Bedmar weten dat de keurvorst van Mainz aanspraak maakte op een aantal gebieden in de Palts, die oorspronkelijk bij zijn aartsbisdom behoorden maar die verpand waren aan de protestantse Paltsgraaf. De ambassadeur werd verzocht de zaak te bespreken met Spinola en de Infanta en de vorst hun oordeel over te brengen390•


De onderhandelingen over een algemene wapenstilstand in het Keizerrijk, waar Bedmar voor had gepleit in 1621391 vonden plaats in de Zuidelijke Nederlanden in mei 1622. De Engelse ambassadeur, die bemiddelde tussen Frederik V van de Palts en de Spaanse koning, had dagelijks een onderhoud met kanselier Peckius en baron van Boisschoe392 • Deze brachten verslag uit van de voorstellen aan Spinola en Bedmar, die samen met de Infanta de antwoorden voorbereidden die moesten worden gegeven393•
Twee struikelpunten voor de Spaanse partij waren de titel van koning van de Bohemen van de Paltsgraaf en de onmogelijkheid om een staakt-het-vuren uit te roepen als Mansfeld de Spaanse koning en zijn geallieerden schade bleef berokkenen. Daarop liet de Engelse ambassadeur aan Bedmar een brief zien van de Paltsgraaf waarin deze


387 Bedmar aan Filips IV, 13/ III1622, gelezen te Madrid 26/ll/1622 (AGS E 2036, f.61)
388 Overzicht van brieven uit de Zuidelijke Nederlanden aan Filips IV geschreven op 2,8,9/9/1622 (AGS E 2036, f.14)
389 Consulta Consejo de Estado, 31/5/1622 (AGS E 2036, f. II)
Samenvatting van de brieven van Isabella, la Cueva, en de Cordoba aan Filips IV en secretaris Juan de
Cirica, 6, 12, 13, 16, 17/ III1622 (AGS E 2036, f.6) Consulta Consejo de Estado, 3/ III1623 (AGS E 2037, f.37) Consulta Consejo de Estado, 12/12/1623 (AGS E 2037, f.8) Consulta Consejo de Estado, 215/1624 (AGS E 2038, f.91) Consulta Consejo de Estado, 29/6/1625 (AGS E 2039, f.5) Consulta Consejo de Estado, 2817/1625 (AGS E 2039, f.29) Consulta Consejo de Estado, 13/4/1625 (AGS E 2039, f.70)
Consulta Consejo de Estado, 28/12/1625 (AGS E 2039, f.79)
39°Filips IV aan Bedmar, 10/3/1622 (AGS E 2233, f.179)
391 Z•ie supra p.51.
392 Boisschot, baron van Zaventem, was een lid van de Raad van State.
393 Bagno aan Ludovisi, 27/5/1622 (NdF V, 377)


schreef zijn troepen te hebben ontslaan en waarin hij bevestigde dat hij niet meer veilig was op zijn eigen grondgebied394 .
Vanuit Madrid werd gesteld dat het vredesvoorstel voor de Palts met de eis moest voorzien in de afspraak dat geen enkele partij een gebied van de Spaanse koning zou aanvallen, noch dat er naar Italie werd opgetrokken, noch dat de oorlog zou worden verklaard aan de katholieken. Bedmar werd verzocht deze boodschap over te maken aan Isabella395• Het akkoord zou afgesloten worden met Mansfeld, waarvoor de Infanta werd gewaarschuwd door de koning, vanwege zijn slechte reputatie wat betreft het naleven van verdragen396 .


In 1623 werden Isabella, Spinola en la Cueva gewaarschuwd door Filips IV om voorzorgsmaatregelen te nemen in Bourgondië en Mansfeld tegen te houden397• Bedmar had de koning op de hoogte gesteld van de terugkeer van Mansfeld uit de Nederlanden naar Westfalen398• Ook had de ambassadeur Filips IV geinformeerd over
•
 
de steun van de Franse koning aan de Duitse generaal99 Vanaf toen hield Bedmar Madrid nauwgezet op de hoogte van de manoeuvres van Mansfeld 400.


In augustus vonden er onderhandelingen plaats in de Zuidelijke Nederlanden met broeder Jacinto de Casal, een gezant van Maximiliaan van Beieren, over een eventuele gezamenlijke actie van de Beierse en Zuidnederlandse troepen in de Verenigde Provinciën. De hertog was bereid Tilly opdracht te geven Mansfeld tot in de Noordelijke Nederlanden te volgen maar als Mansfeld zich in een plaats zou verschansen, was Beieren niet van plan tot een belegering over te gaan. Isabella won raad in onder andere de raad in van la Cueva en informeerde Filips IV. Deze laatste reageerde gelaten. Hij verwees naar de grote bijstand die Spanje had geleverd in het Rijk. Ook vermeldde hij van mening te zijn dat men in Londen geen reden zou hebben om te protesteren. Het ging immers om het uitschakelen van Mansfeld en Brunswijk, personen die niet door de Engelse koning gesteund werden en die bovendien zijn trouwe provinciën bedreigden401•


394 Bagno aan Ludovisi, 23/7/1622 (NdF V, 444)
395 ? aan Bedmar, 28/7/1622 (AGS E 2233, f.243)
396 Filips IV aan lsabella, 28/8/1622 (AGS E 2233, f.258)
397 Consulta Consejo de Estado, 20/6/1623 (AGS E 2037, f.59)
398 Filips IV aan la Cueva, 25/2/1625 (AGS E 2233, f.312)
399 Filips IV aan la Cueva, s.d (AGS E 2233, (365)
40°Filips IV aan la Cueva, 25/2/1625 (AGS E 2233, f.312)
Filips IV aan la Cueva, 17/5/1624 (AGS E 2234, f.49)
Filips IV aan la Cueva, 24/12/1624 (AGS E 2234, f.146) Filips IV aan la Cueva, 2/1/1625 (AGS E 2234, f.154) Filips IV aan la Cueva, 3/2/1625 (AGS E 2234, f.l67) Filips IV aan la Cueva, 20/2/1625 (AGS E 2234, f.177)
401 Consulta Consejo de Estado, 18/9/1623 (AGS E 2037, f.31)


Begin sep ember toonde Filips IV zich bijzonder verheugd na het bericht van la Cueva over de nederlaag van Brunswijk, hem toegebracht door de baron van Tilly402•


Op 21 september liet Isabella de vorst weten dat ze Tilly verzocht had, nadat bekend werd dat hij niets zou kunnen ondememen tegen Mansfeld, om terug te keren naar de Rijn en zich te verenigen met het leger van Filips IV om Brunswijk aan te vallen. Tilly had het echter laten afweten en kwam niet opdagen op de plaats van afspraak aan de rivier403• La Cueva was mee betrokken geweest bij het nemen van de beslissing om de twee legers te laten samenkomen404 •
In oktober meldde la Cueva zwaar aangeslagen aan de koning dat Tilly nog steeds niet was verschenen aan de Rijn (la buelta del Rin) en dat de geplande zaken niet tot uitvoering konden worden gebracht. Bedmar voelde het aan als een persoonlijke mislukking. Alhoewel de situatie er slecht uitzag, verzekerde hij de koning dat hij alles deed wat in zijn macht lag om er voordeel uit te halen. Bedmar uitte nogmaals het verlangen te mogen vertrekken uit de Zuidelijke Nederlanden, want tot hij zijn doel zou bereiken, zou dit hem blijven dwarszitten405 •
Op het einde van die rnaand kwam er een Spaanse bode aan die de volgende schikking voorstdde aan de Engelse koning: de oudste zoon van de Paltsgraaf zou worden opgevoed aan het keizerlijk hof, daarna uitgehuwelijkt worden aan een dochter van de keizer en de Neder- en de Opperpalts terugkrijgen en hersteld worden in de electorale waardigheid. De Casal beklaagde zich over deze beslissing, die in het nadeel was van de hertog van Beieren, waarop la Cueva antwoordde: 'che non se maravigliasse, perche I negotü erano come la Musica figurata, nella quale non sogliono tutte le voci cominciar ad un tempo, ma principiano alcune e poi seguitano l'altre', met andere woorden: dat hij niet ongerust moest zijn want dat er nog andere stemmen zouden gehoord worden406•
ta Cueva was samen met de pauselijke nuntius van mening dat men de intenties van
de koning van Engeland met betrekking tot dat huwelijk moest wantrouwen op religieus gebied. De ambassadeur waarschuwde Filips IV en Bagno bracht via de pauselijke nuntius in het Rijk de keizer aan het twijfelen407•
Rond diezelfde periode, begin 1624, werd duidelijk in Brussel dat het huwelijk van Engeland geschorst of uitgesteld was, wat la Cueva ten zeerste verbaasde. De graaf van Argaill kreeg opdracht van James I om in de Zuidelijke Nederlanden duidelijk te maken dat ze het uitstel van het huwelijk niet slecht moesten opnemen en dat de Engelse koning nog steeds voorstander was van de verbintenis, maar dat het zijn wens


402 Filips IV aan la Cueva, 1/9/1623 (AGS E 2233, f.371)
403 Consulta Consejo de Estado, 26/10/1623 (AGS E 2037, f.35)
404 Bagno aan Barberini, 2/9/1623 (NdF V, 717)
405 La Cueva aan Filips IV,  II/10/1623, gelezen te Madrid 31/10/1623 (AGS E 2037, z.f.)
406 Bagno aan Barberini, 28/10/1623 (NdF V 761)
407 Barberini aan Bagno, 6/1/1624 (NdF V, 847)


was dat er geen ongenoegen zou ontstaan met de Palts als oorzaak. Hij beklemtoonde dat het zijn eerste bekommernis was om een algemene vrede te installeren in het Rijk. De macht van de Spaanse koning over de Palts was herroepen, niet door toedoen van James I maar van zijn zoon, die aan zijn zuster (vrouw van Frederik V van de Palts) zijn woord had gegeven dat de Paltsgraaf in zijn rechten zou hersteld worden. De Engelse koning toonde zich zeer geraakt en vreesde in een ootlog verwikkeld te raken tegen zijn wil in. De kardinaal, evenals de Infanta, waren niet van mening dat deze zaak moest behandeld worden in Brussel. La Cueva vond dat men in Engeland vooral bezorgd was om de belangen van de Paltsgraa:f. Hij achtte het een delicate zaak en gaf de raad mee aan Madrid om zich voor te bereiden, alsof men niet tot een schikking zou komen, wat zonder twijfel de meest waarschijnlijke uitkomst zou zijn, volgens de ambassadeur408•


In mei 1624 behandelde de Consejo een brief van Bedmar waarin deze de volgende standpunten verdedigde: Spanje zou de Duitse katholieken moeten bijstaan, men zou blijven onderhandelen met Beieren en de Engelse koning had het recht niet om Frankenthal op te eisen nadat hij de wapenstilstand had geschonden. In het eerste punt gaven de raadsleden de ambassadeur gelijk, over het tweede moest eerst naar het oordeel gevraagd worden van de Infanta en over het derde bestond verdeeldheid. De biechtvader van de koning nam bijvoorbeeld in overweging dat de teruggave van Frankenthal door Spanje, volgens het afgesloten verdrag tussen Filips IV en James I, terecht zou zijn en dat de Spaanse koning het zich niet kon veroorloven dergelijke
afspraak te negeren409 •


La Cueva bleef Madrid informeren over de onderhandelingen met broeder Jacinto de Casal, die inderdaad doorgingen. De broeder was naar Brussel gekomen om zich te excuseren bij Isabella. Hij voerde aan dat de hertog van Beieren van niets wist. La Cueva was daar nog niet zo zeker van en dacht dat de hertog zijn goedkeuring had verleend nadat hij op droogte was gesteld. Beieren was in gesprek getreden met de koning van Engeland, in verband met een wapenstilstand, nog steeds volgens de ambassadeur, om afgunst te wekken bij Filips IV want het was overduidelijk dat van een overeenkomst geen sprake kon zijn. De hertog toonde zo zijn onvrede over het feit dat Filips IV hem de electorale waardigheid wilde ontzeggen, denkend dat de Spaanse koning op deze manier had gehandeld in een poging zijn promotie tegen te houden, in plaats van de vrede in het Rijk voor ogen te houden. Er sproten nog meer acties voort uit deze gedachtengang. Zo had Beieren aangedrongen, bij Frankrijk om een vertegenwoordiger te sturen naar de Palts, onder het voorwendsel dat de Franse kroon altijd een agent had gestuurd naar de belangrijkste seculiere keurvorst. De Fransen hadden eerst ingestemd maar waren later op hun beslissing teruggekomen vanwege de


408 Consulta Consejo de Estado, 3/2/1624 (AGS E 2038, f.28)
409 Consulta Consejo de Estado, 15/5/1624 (AGS E 2038, f.13)


hoop die ze koesterden in verband met het Engelse huwelijk. Als dit voltrokken zou word zouden er gunstige voorwaarden uit re leren voor de Paltsgraaf en daaruit volgend nadelige voor de hertog van Beieren en de katholieken.
La Cueva wees Jacinto er op dat de Fransen niet een vertegenwoordiger zouden hebben gestuurd omwille van hun respect voor de keurvorstelijke waardigheid, maar vanwege het feit dat de Paltsgraaf de leider was van de ketters, die bevriend waren en een verbond hadden met Frankrijk.
De ambassadeur wees de koning er op dat het gevaar bestond dat zowel de banden met Engeland als met de katholieken van het Rijk zouden breken. Vooral dit laatste achtte la Cueva van groot belang. De broeder verzekerde hem dat Beieren niets liever wilde dan goede contacten met Madrid, waarop la Cueva antwoordde dat Filips IV niets liever wilde dan vrede in het Rijk. De kardinaal pleitte ervoor om Maximiliaan van Beieren bij te staan, ook indien Frederik V van de Palts oorlog zou voeren tegen
hem410.

Filips IV besliste op basis van deze brief om een buitengewoon ambassadeur naar het Rijk te sturen om de contacten met Beieren te verstevigen411.


9 oktober zond Isabella, na overleg met la Cueva, de graaf van Oñate en Spinola, antwoord aan de Engelse gezant, Trumbull, in verband met de teruggave van Frankenthal. De Infanta stemde er mee in en beloofde de duizend vijfhonderd Engelse infanteristen en de tweehonderd cavaleristen die de stad zouden ovememeeen vrije doorgang door de Zuidelijke Nederlanden412 .
Ook het daarop volgende jaar bleef la Cueva zich mengen in de politiek van het Rijk. Hij maakte melding bij de koning van de slechte intenties die de Fransen hadden wat betrof het Heilig Roomse Rijk en berichtte over de mislukte stappen die waren ondemomen bij de katholieke keurvorsten en de hertog van Beieren om hen de Franse invloed te ontraden413.


In het derde en laatste deel is het Keizerrijk niet meer verwerkt, vermits la Cueva ‘s inbreng in de relaties met het Rijk beperkt bleef. Hij bracht enkel bericht uit over de gebeurtenisseen omwille van het feit dat de Spaanse vorst de oorlog niet meer steunde met troepenleveringen, werden de boodschappen van de ambassadeur schaarser. Het belang van de Duitse hulptroepen in de oorlog met de Verenigde Provinciën, wordt wel aangehaald in het desbetreffende hoofdstuk.






410 La Cueva aan Filips IV, ')}7/1624, gelezen te Madrid 19/7/1624 (AGS E 2038, f.20)
411 Consulta Consejo de Estado, 29/7/1624 (AGS E 2038, f.19-20)
412 Bagno aan Barberini, 5/10/1624 (NdF V, II36)
Bagno aan Spada, 9/ II/1624 (NdF V,  1165)
413 Filips IV aan la Cueva, 30/3/1625 (AGS E 2234, z.f.)


No hay comentarios:

Publicar un comentario