martes, 10 de enero de 2012

5


1.2 Noordelijke Nederlanden


1.2.1 Het aflopen van het Bestand


Het Twaalfjarig Bestand was gun tiger geweest voor de Verenigde Provinciën dan voor Spanje. De Noordnederlanders konden vrij handel voeren met Spanje en Portugal; Amsterdam bloeide ten koste van Antwerpen; de rebellen domineerden de Europese Noord-Zuid-handel, inclusief de vitale Balische graanstroom naar het Iberische schiereiland en Italie; de Verenigde Provinciën kenden een grote expansie in de Oostelijke en Westelijke lndien, zodat ze een machtige tegenpool werden voor Spanje125•
Vanuit de Consejo de Estado werd dan ook aangestuurd op de hervatting van de oorlog. De optie van een Bestandsverlenging werd nog open gehouden, maar dan
•
 
 zouden er betere voorwaarden moeten bedongen worden126
Deze bielden in, zoals
•
 
bepaald door Filips III in 1621: het toestaan van de beleving van de katholieke godsdienst in de Republiek, het terugtrekken van de Noord-Nederlands uit de Indien en de heropening van de Schelde 127

Ook in de Noordelijke Nederlanden zelfhad de partij, die voor het heropnemen van de oorlog was (de Gomaristen, met als hoofd prins Maurits), de bovenhand op de Arminianen, die meer Spaansgezind waren 128•


In 1620, een jaar voor het aflopen van de wapenstilstand, besliste de Consejo de Estado tot het oprichten van een junta in de Zuidelijke Nederlanden, waarvan Bedmar deel zou uitmaken, die de kwestie van het Bestand zou behandelen. De andete Jeden van deze junta waren Spinola, de graafvan Añov r, Brizuela, Juan de Villela, die later
•
 
 voorzitter werd van de Consejo de Indias te Madrid, en Peckius 129
De commissie werd nadien uitgebreid met nog meer Spaanse raadgevers: Don Luis de Velasco (markies van Belveder), Don Iñigo de Borja (gouvemeur van Antwerpen), Don Pedro de Coloma en de veedorre general van het leger, Don Cristobal de Benavente y
•
 
Benavides130



125 J.I. ISRAEL, "A Conflict ofEmpires: Spain and the Netherlands 1618-1648" in: Past & Present, 76, aug. 1977, pp.34-39.
126 Consulta Consejo de Estado, 7/4/1618 (AGS E 2034, z.f.)
127 J.H ELLIOTT, The Count-Duke of Olivares. The Statesman in an Age of Decline, New Haven, London; Yale University Press, 1986, p.64.
128 J.J. POELHEKKE, 't Uvtgaen van den Treves. Spanje en de Nederlanden in 1621, Groningen, J.B,
Wolters, p.64.
129 Consulta Consejo de Estado, 9/5/1620 (AGS E 2034, f.98)
130 J.l. ISRAEL, Conflicts ofEmpires. Spain, the Low Countries and the struggle for world suppremacy
1585-1713, London, Rio Grande; The Hambledon Press, 1997, p.6.

•
 
Reeds voor de oprichting van de junta, werd Bedmar op de hoogte gehouden van de bevindingen van de Consejos de Indias en Portugal met betrekking tot het Bestand 131
Van een duidelijk verbod op Staatse commerciële activiteiten in de Indien was in de tekst van het Bestand geen sprake geweest en zo werd er ruimte geschapen voor
•
 
tegengestelde interpretaties 132

De mening van beide raden was belangrijk omdat de Noord-Nederlands zoveel voordeel haalde uit de handel op de Indien. De Consejo de
•
 
Portugal pleitte dan ook voor het hervatten van de oorlog133
Ook de Consejo de las Indias, die de aanhoudende gevechten in de Filipijnen en de Molukken onaanvaardbaar duur vond, was van mening dat een nieuwe oorlog de beste oplossing was. De Republiek zou aldus meer geld moeten spenderen op het thuisfront, wáardoor
•
 
de Iberische vloten de Noordnederlanders in de Indien buiten zouden kunnen keren 134 Bedrilar had gevraagd naar deze rapporten en was van mening dat de onderhandelingen moesten worden versneld, zonder te wachten op de berichten uit de Verenigde Provincien, beloofd door Manuel Sueyro 135.

•
 
Op 3 april 1620 raadde de gehele junta de koning aan onderhandelingen voort te zetten voor het verlengen van het Bestand. Ze oordeelden dat een oorlog te duur zou zijn 136
Toen de Spaanse vorst in mei berichten ontving van de intenties van de Noord-Nederlands om een fort te bouwen in de buurt van Bergen op Zoom, die tegen de overeenkomsten van het Bestand inging, adviseerde hij Bedmar de vruchten hiervan te plukken bij de gesprekken met de Noord-Nederlands137.Deze gesprekken waren aangevangen tijdens het Twaalfjarig Bestand maar leverden weinig resultaat op.

Ter voorbereiding op de dood van Albrecht en om de veiligheid van de Zuidelijke Nederlanden te verzekeren in geval van het heroplaaien van de oorlog, nam de Spaanse koning een aantal voorzorgsmaatregelen en gaf Bedmar de opdracht deze uit te voeren. De ambassadeur moest Albrecht inlichten, als reden aanvoerend dat het Bestand op zijn einde liep. Filips IV besliste om zesduizend Spaanse soldaten te stationeren in de Zuidelijke Nederlanden. De citadels van Antwerpen, Gent en Kamerijk hoorden snel hersteld, versterkt en bevoorraad te worden, evenals die van Grol en Dama, deze laatste op kosten van de Spaanse Nederlanden. Voor de drie eersten zou, gedurende twee maanden, de helft van het geld, bestemd voor het leger,
•
 
aangewend worden138
Een jaar voordien had la Cueva met Ambrosio Spinola een


131 Filips III aan Bedmar, 12/ III620 (AGS E 2232, f.303)
132 R VERMEIR, op.cit., p.30
133 J.R ELLIOTI, La España Imperial1496-1716, Barcelona, Editorial Vicens-Vives, 1982, p.354.
134 R VERMEIR, op.cit., p.30-31.
135 zie supra Sueyro pp.37, 41-43. Bedmar aan Filips ID, 21/ II/1619 (CCE 1, 1438)
136 Consulta Junta de Estado, 3/4/1620 (CCE 1, 1466)
137 Filips IV aan Bedmar, 31/5/1620 (AGS E 2232, f.345)
138 Filips IV aan Bedmar, 9/5/1620 (AGS E 2232, f.405)
•
 
inspectietocht langs de voomaamste forten gehouden. Bedmar had ze allemaal in goede staat bevonden, behalve dat van Gent139
De voorzorgsmaatregelen hielden verder in dat een tercio van drieduizend Napolitanen en een ander van tweeduizend Bourgondiërs achter de hand zou gehouden worden. Ook de Waalse, Duitse en losse troepen moesten in gereedheid gebracht worden, naast een cavalerie van minstens tweeduizend achthonderd paarden. De haven van Oostende en het zeekanaal van Brugge naar Gent moesten in orde zijn. Bedmar diende rekening te houden met de personen die te Luxemburg, Namen en Maastricht geplaatst waren.
Er werd tevens aan de ambassadeur gevraagd verslag uit te brengen van de 
•
 
vorderingen 140

Toen hij vier maanden later had nagelaten dit te doen, wees de vorst hem nogmaals op het belang hiervan 141• Bedmar antwoordde op 12 oktober dat Spinola en Albrecht grote bezwaren aantekenden tegen het gebruik van de helft van het maandgeld van het leger. Dat maandgeld beperken, zou schade aanrichten en de Zuidelijke Nederlanden in gevaar kunnen brengen. La Cueva drong er bij de koning op aan om geld en manschappen te sturen, daar er slechts zes maanden restten voor het
•
 
verstrijken van het Bestand 142 Zowel aartshertog Albrecht als Spinola waren hevige tegenstaanders van het heropnemen van de oorlog. De Zuidelijke Nederlanden hadden immers tijdens het
•
 
 Bestand kunnen genieten van een relatieve voorspoed 143 Albrecht drong er bij de
.
 
koning op aan om minstens een korte hernieuwing van het Bestand te bedingen, zodat de katholieke Nederlanden zolang mogelijk zouden gespaard blijven van de oorlog en hij becijferde de vorst de hoge kostprijs vaneen o:ffensieve oorlog 144

Een maand voor de o:fficíele afloop van het Bestand (9 april 1621) werden er nog steeds onderhandelingen gevoerd met de rebellen. Tegelijkertijd werd een voorstel van de Franse ambassadeur in Brussel bestudeerd over het samen bestrijden van de Hugenoten in Frankrijk en de protestanten in de Republiek. Albrecht kreeg de opdracht van Filips III, Bedmar op de hoogte te houden van de stand van zaken, die op
•
 
zijn beurt de Spaanse koning moest inlichten145






Consulta Consejo de Estado, 21/5/1620 (AGS E 2034, f.2-5)
139 Bedmar aan Filips m, 6/12/1619 (CCE 1, 1439)
14°Filips IV aan Bedmar, 9/5/1620 (AGS E 2232, f.405)
Consulta Consejo de Estado, 21/5/1620 (AGS E 2034, f.2-5)
141 Filips IV aan Bedmar, 2/9/1620 (AGS E 2232, f.292)
142 Consulta Consejo de Estado, 17/ II/1620 (AGS E 2034, f.122)
143 R VERMEIR, op.cit., p.31.
144           .
J.H. ELLIOTI, The Count-Duke..., p.63.
145 Filips III aan Bedmar, 8/3/1621 (AGS E, 2233, f.47) Filips III aan Albrecht, 8/3/1621 (CCE 1, 1543)


•
 
Op 22 april 1621 besliste de nieuwe konip.g     Spinola met zijn leger terug te laten komen uit de Palts om de oorlog in de Nederlanden te hervatten 146
La Cueva had voorspeld aan de nuntius dat Filips IV deze beslissing zou nemen, op basis van een brief van de koning, waarin deze de ambassadeur verzekerde dat een
•
 
grote som geld gereed gehouden werd 147
Bedmar liet het oorspronkelijke standpunt van de junta varen en volgde de mening van Filips IV door te stellen in een brief aan Madrid dat men het best kon breken met de Noordnederlanders en -krachtige stappen
•
 
tegen hen kon ondememen 148

Hier toonde la Cueva zich bijzonder gezagsgetrouw. De koning antwoordde dat de onderhandelingen meer goed dan kwaad deden en dat er weinig te verwachten viel van zachte methodes. Filips IV zegde de Zuidelijke Nederlanden de beoogde driehonderdduizend dukaten per maand toe, zodat niets het hememen van de oorlog nog in de weg stond. Het leger moest in gereedheid gebracht worden en Albrecht zou, naar wat de Spaanse vorst schreef aan Bedmar, zich moeten 
•
 
neerleggen bij zijn beslissing149

Dat bleef de aartshertog echter bespaard want hij was intussen overleden.

Kort daarvoor was men nochtans bijna tot een verlenging van het Bestand gekomen, als we de bronnen van de pauselijke nuntius Flacchio mogen vertrouwen. De Zuidnederlandse onderhandelaars hadden de rebellen toegezegd hun vrijheid te respecteren, de vaart op de Indien te vrijwaren en bepaalde dorpen en gebieden in de grensstreek uit te wisselen. De Staatse gesprekspartners beloofden in ruil hiervoor de beleving van de katholieke godsdienst in hun gebieden te dulden, de Schelde te heropenen, de Spaanse koning als prins en beschermheer te erkennen en deze het vruchtgebruik van zijn bezittingen in de Verenigde Provinciën te laten genieten. De Noordelijke Nederlanden zouden een republiek vormen, zonder gouvemeur of koninklijke mandataris.
Bedmar gaf het bestaan van deze geheime gesprekken toe aan Flacchio. Op dat moment viel het nog af te wachten of Filips IV met dezelfde voorwaarden kon instemmen als Albrecht. Wat uiteraard achteraf een ijdele hoop bleek. Spinola, die voorstander van het bestand was, had een afgevaardigde naar Den Haag gestuurd onder het voorwendsel van het opeisen van gevangen genomen Spaanse schepen door
•
 
de Noord-Nederlands150
Bedmar, Spinola zelf, de kanselier van Brabant en de
•
 
biechtvader van Albrecht voerden de onderhandelingen in Brussel 151


146 J.H. ELLIOTT, The Count-Duke..., p.65.
147 Bagno aan Ludovisi, 3 II7/1621 (NdF V, 39)
148 Consulta Consejo de Estado, 30/7/1621 (CCE JI, 76)
149 Filips IV aan Bedmar, 22/7/1621 (AGS E 2233, f. II5)
150 Z.le infra p.36
151 Flacchio aan Ludovisi, 1717/1621 (NdF V, 29)


Ook na de beslissing van de koning om de oorlog te hernemen, werden de gesprekken dus verder gezet, onder leiding van de katholieke Noord-Nederlandse juffrouw T'Serclaes. De prins van Oranje was bereid de scheepvaart op Amerika op te geven maar niet die op de Oost lijken Indien, en verklaarde zich akkoord met het tolereren van de katholieke godsdienst in zijn gewesten. Tegen de opening van de Schelde kwam er vooral veel tegenkanting uit Amsterdamse hoek, hoewel dit in het vorige voorakkoord al toegezegd was. De prins vroeg een document op te stellen met de voorwaarden waaronder de Spaanse partij bereid was een verdrag te ondertekenen, zonder datum en zonder handtekening. De Infanta besliste samen met Bedmar en Spinola geen enkele verklaring af te leggen, zonder orders te hebben ontvangen uit
•
 
Madrid. Isabella vroeg de koning om een duidelijk antwoord 152
Diezelfde dag, 21 september, had deze naar de Infanta geschreven dat hij zijn goedkeuring hechtte aan de onderhandelingen, maar dat zeker niet de indruk moest worden gewekt dat echt gestreefd werd naar vrede. Dit voorbehoud bij de vredespogingen bleek nog veel
.
 
duidelijker uit een brief naar Bedmar van dezelfde datum 153
De gesprekken zouden blijven aanslepen maar tot geen enkel resultaat leiden.
Filips IV koos voor de oorlog die eind augustus 1621 werd hervat met het beleg van
•
 
Gulik door het Rijnleger onder leiding van Spinola154



1.2.2 Armada


De economische oorlogvoering ging al vroeger van start. In Madrid rijpte tijdens het Twaalfjarig Bestand de idee om een offensieve oorlog over zee te voeren ('guerra ofensiva por mar'). De Staatse overzeese successen waren een doom in het oog van Spanje alsook de uitbreidende macht van de Republiek door middel van de internationale handel. Vanaf 1617 werden plannen gesmeed voor het oprichten van een Armada del Mar Océano155• In 1618 bedacht de Consejo de Estado dat het in het voordeel van de Zuidelijke Nederlanden zou zijn om een oorlogsvloot te stationeren in Oostende. Spinola was hier voorstander van en de raadsleden achtten het destijds noodzakelijk voor de Spaanse 'reputación' en ze zagen het als een troef om het
•
 
Bestand in het voordeel van Spanje te doen uitdraaien 156


In de zomer van 1620 kreeg de vloot gestalte in de scheepswerven van Duinkerke en Oostende in de vorm van de Armada de Flandes. De haven van Duinkerke werd de



152 Isabella aan Filips IV, 22/9/1621 (CCE II, 109)
153 J.J. POELHEKKE, oo.cit, p.152.
1 4
s J.J. POELHEKKE, op.cit, p.159.
!SS R VERMEJR. op.cit., pp. 33-34
•
 
standplaats van de Noordzeevloot, die belast werd met de bescherming van handelskonvooien, transportopdrachten en het uitvoeren van raids tegen vijandelijke oorlogsbodems en kwetsbare vissersboten157
Reeds in de lente van dat jaar polste Filips III bij de ambassadeur hoe ver het stond

•
 
met de plannen voor de scheepsbouw158
Bedmar stond positief tegenover de
•
 
beslissing van Filips III om een armada te installeren in de Zuidelijke Nederlanden. Volgens Bedmar en 'segun los platicos' zou men aan twintig schepen, getal dat de vorst had voorgesteld, genoeg hebben om de hele Staatse zeemacht te verstoren 159 Op 9 mei 1620 wist Filips III dat het hout gebruiksklaar was voor de scheepsbouw en dat het enige dat de aanvang van het werk in de Zuidelijke Nederlanden belette, het tekort aan geld was. Omdat het beschikken over een armada doorslaggevend kon zijn in de gesprekken over het verlengen of afbreken van het Bestand, verzocht Filips III Bedmar, als voorzitter van de Junta de Hacienda, geld vrij te inaken. Om de nodige twintigduizend ducaten per maand bijeen te krijgen, moest desnoods maar iets verkocht worden. Of dit noodzakelijk was, wat men zou verkopen, hoeveel dat zou opbrengen en hoeveel tijd men zou nodig hebben voor de verkoop, waren allemaal vragen waar de vorst met hoogdringendheid een antwoord van Bedmar op
•
 
verwachtte160
•
 
Blijkbaar overtuigde de ambassadeur de koning zelf met geld over de brug te komen, want er werd een bedrag toegezegd waar zuinig mee moest omgesprongen worden161
•
 
La Cueva antwoordde aan de Consejo dat overeengekomen was aan de bouw van twaalf schepen te beginnen, voor zover het beschikbare geld het toeliet. Elk van de schepen zou zesentwintigduizend florijnen kosten. Na een half jaar zouden ze gebruiksklaar moeten zijn maar nog niet voorzien van artillerie. De raad besliste meer geld te sturen voor acht bijkomende vaartuigen en aan Albrecht te vragen naar de soort en de hoeveelheid artillerie die noodzakelijk zouden zijn162 Twee maanden later waren de plannen voor de bouw van de oorlogsvloot blijkbaar nog niet rond, want Filips III vroeg Bedmar het voorstel van Anselmo Prebost te bekijken. Deze beweerde elk jaar, zowel in vredes- als in oorlogstijd, zo'n twintig a dertig oorlogsschepen van elk driehonderd ton te kunnen produceren evenals een hoeveelheid artillerie, zonder kosten voor de schatkist. Hoewel dit alles nogal ongeloofwaardig overkomt, nam de koning Prebost werkelijk au sérieux en droeg hij
•
 
Bedmar op aandachtig te luisteren naar de manen hem goed te ontvangen163 Over de benoeming van de leiding over


157 R VERMEIR, op.cit, pp. 33-34
158 Filips III aan Bedmar, 9/4/1620 (AGS E 2232, f.384)
159 Consulta Consejo de Estado, 10/5/1620 (AGS E 2034, f.38-39)
160 Filips III aan Bedmar, 9/5/1620 (AGS E 2232, f.398)
161 Filips III aan Bedmar, 3/6/1620 (AGS E 2232, f.419)
162 Consulta Consejo de Estado, 16/8/1620 (AGS E 2034, z.f.)
163 Filips maan Bedmar, 20/10/1620 (AGS E 2232, f.300)


de Armada de Flandes, won de Consejo de Estado advies in bij Albrecht en Bedmar. De Raad stelde een lijst van namen op die in de Zuidelijke Nederlanden ter evaluatie werd voorgelegd.
Noch Bedmar, noch Albrecht stonden achter de aanstelling van Luis de AguiJar, gouvemeur van Oostende, tot generaal van de vloot, om uiteenlopende redenen. Albrecht vond dat de Aguilar niet de juiste man was voor deze functie. In tijden van oorlog als de vloot moest uitvaren, zou de stad Oostende het immers zonder gouvemeur moeten stellen. Bedmar was dan weer van mening dat de Aguilar zeer geschikt was als gouvemeur maar dat hij aan capaciteiten ontbrak voor het leiden van de armada. De Consejo de Estado was er toch voorstander van de gouvemeur te benoemen tot generaal van de vloot, maar deze zou nooit meevaren; de admiraal zou
•
 
het opperste gezag vertegenwoordigen op zee 164
Filips IV nam Bedmars kritiek in
•
 
aanmerking: de gouvemeur kreeg enkel de titel van superintendent 165 Over de betrekking van proveedor (leverancier) was er ook onenigheid. Albrecht bracht aan dat het de gewoonte was in de Zuidelijke Nederlanden, dat de vorst geen aankopen voorzag, maar dat de kapiteins van de schepen, voor een zeker bedrag per dag, zelf hun voorraden insloegen. Vandaar dat de aartshertog het onnodig vond voor dit ambt iemand te verkiezen en hij wees er op dat dit ook financieel voordeliger zou zijn. Bedmar suggereerde dat, als men het in Madrid nodig achtte toch in een pagador te voorzien, Diego de Hemani, toenmalig contador van de rekenkamer, een goede kandidaat zou zijn. De Consejo de Estado sloeg hun beider raad in de wind en stelde Hortuño de Uricar aan. Voor de rest van de benoemingen volgde men de aanwijzingen van Albrecht, vermits Bedmar verder bij de voorkeur van de aartshertog geen
•
 
opmerkingen had 166


De Staatse vloot reageerde snel op de Spaanse Armada-plannen, door de havens van
•
 
Duinkerke, Nieuwpoort, Oostende en Blankenberge te blokkeren. De rebellen vreesden, te'recht, dat de vloot een grote bedreiging zou vormen voor hun schepen 167 Bovendien bande Filips IV in april 1621, bij het aflopen van het Bestand, alle Staatse schepen uit zijn Europese gebieden. De Noordnederlanders vonden een uitweg door hun vrachten te laten vervoeren onder de neutrale vlaggen van Engeland en de
•
 
Hanzesteden. Toch betekende het verbod een verlies van belang 168


Ondertussen antwoordde Filips IV, op een vraag van Bedmar naar meer geld voor de artillerie van de armada, resoluut dat het nodige geld zich in de Zuidelijke




164 Consulta Consejo de Estado, 28/ III621 (AGS E 2035, f.55-57)
165 Filips III aan Bedmar, 29/3/1621 (AGS E 2233, f.48)
166 Consulta Consejo de Estado, 28/1/1621 (AGS E 2035, f.55-57)
167 R VERMEIR, op.cit., pp. 33-34
168 J.l. ISRAEL, art.cit., pp.48-49.


Nederlanden bevonden dat er niet aan werd gedacht om het vanuit Spanje te
•
 
versturen 169
('no ay orden ni forma de poderse embiar de aca')


De oorlog op zee uitte zich in het zich wederzijds meester maleen van schepen en hun bemanning. Bedmar bevond zich in een gunstige positie, door zijn contacten met inlichtingennetwerken in de Verenigde Provincien, om de vorst op de hoogte te
•
 
houden van de Staatse plannen met de buitgemaakte schepen 170
In mei 1621 liet hij Filips IV weten dat de Zeelanders Spaanse schepen hadden overmeesterd, ter waarde van vierhonderdduizend dukaten. Voor een derde bestond de bemanning uit onderdanen van de Spaanse koning en van de aartshertog, de rest was voornamelijk van Noordnederlandse en Franse nationaliteit. Spinola had Maurits, via een gezant, verzocht de gevangenen vrij te geven, als verzachtende omstandigheid aanvoerend dat de Noord-Nederlandse schepen op datzelfde moment ook op een andere behandeling konden rekenen in Spanje. Het is niet duidelijk of deze gezant bemiddelde ten gunste van de gevangenen of in verband met een bestandsverlenging. In Den Haag besliste men echter, wat de gevangenen betrof, beroep te doen op de admiraliteit van Zeeland. Dit deden ze, volgens Bedmar, omdat ze wisten dat de Zeelanders 'de ergste zijn van allemaal'. Deze zouden zeker een antwoord geven in overeenstemming met hun
•
 
slechte eigenschappen ('conforme a su mala calidad')171 Filips IV antwoordde hierop in de eerste plaats dat men haast moest maken met de scheepsbouw en met de depéche, in verband met de schepen die vaarklaar waren. Ook informeerde hij naar de stappen die in de Republiek ondemomen waren, betreffende
•
 
de gevangen genomen vaartuigen172

1.2.3 Spionage


De spionagenetwerken van Bedmar en Sueyro werden opgezet om politieke, economische en militaire informatie te vergaren over de gemeenschappelijke vijanden van de Spaanse koning en de aartshertogen. Het ging hier in de eerste plaats over Noord-Nederlands. De agenten van deze netwerken werden betaald uit de kas van de geheime uitgaven (gastos secretos). Dit geld was afkomstig uit Sp je en werd, voor

•
 
de aankomst van Bedmar, beheerd door Spinola en Mancicidor 173
In 1618 kreeg Spinola het bevel van de koning om de gastos secretos, die onder het beheer van





169 Filips IV aan Bedmar, 23/4/1621 (AGS E 2233, f.83)
17o z·te .mfra spt.onage
171 Bedmar aan Filips IV, 28/5/1621, gelezen te Madrid 17/6/1621 (AGS E 2035, z.f.)
172 Filips IV aan Bedmar, 14/7/1621 (AGS E 2233, f. II3)
173 M.A. ECHEVARRIA BACIGALULPE, "Espionnage a la com de Bruxelles" in: Albrecht en
Isabella 1598-1621:Essays, s.l., Brepols, 1998, pp. 93. Consulta Consejo de Estado, 2/8/1618 (AGS E 2032, z.f.)

.
 
Mancicidor vielen en die bestonden uit een deel van het geld bestemd voor het leger, over te hevelen naar Bedmar174
Manuel Sueyro was de zoon van Diego López Sueyro en hij trad in functie als agent van de Spaanse koning in de inlichtingendienst van zijn vader in 1605. Vanaf 1617, toen Diego López naar Spanje vertrok en lid werd van de Consejo de Hacienda, werd Manuel Sueyro hoofd van dit spionagenetwerk en zou dat blijven tot aan zijn dood in 1629175• Sueyro's geheime dienst was van groot belang voor het inwinnen van informatie uit de Noordelijke Nederlanden, zoals Bedmar was duidelijk gemaakt in zijn instructies176• De Portugese Jood, die in Antwerpen woonde, moest verantwoording afleggen voor zijn daden en hiervan verslag uitbrengen bij la
•
 
Cueva177


l.2.3.1 Inlichtingennetwerk Bedmar


Bedmar startte onmiddellijk bij het begin van zijn verblijf in Brussel met het opzetten van een  oortgelijk inlichtingennetwerk als dat van Sueyro, met  dezelfde
•
 
doelstellingen178
Hij baseerde zich hiervoor op de bestaande contacten van zijn voorganger en k:reeg instructies uit Madrid betreffende de personen die op de loonlijst
•
 
van de ambassade moesten komen 179
Ook bevalen Filips III en Filips IV hem
•
 
personen aan, die hem geheime informatie doorgaven en voorstellen deden180.
Waarover deze voorstellen dan precies handelden, kan niet worden afgeleid uit de brieven. De oprichting van dit spionagenetwerk maa.kte deel uit van Bedmars instructies en mogelijk was het la Cueva ‘s overtuiging dat wat Sueyro deed, door hemzelf beter kon gedaan worden.

•
 
Zo werd Bedmar verzocht door de koning een bedrag uit te keren van dertig dukaten per maand aan Henrique Glaube de Harstemhorst omdat hij nuttige diensten kon verlenen vanwege zijn kennis over de Verenigde Provinciën 181


174 Filips III aan Spinola, 30/8/1618 (AGS E 2232, f.142) Filips III aan Bedmar, 30/8/1618 (AGS E 2232, f.143)
175 M.A ECHEVARRIA BACIGALULPE, La diplomacia secreta en Flandes, 1598-1643, Vizcaya, Servicio Editorial Universidad del Pais Vasco, 1984, p.157-162.
176 Filips III aan Bedmar, 19/12/1619, (AGS E 2232, f.186)
177 Consulta Consejo de Estado, 1417/1618 (AGS E 2032, z.f.) Consulta Consejo de Estado, 18/ III618 (AGS E 2032, z.f.)
178 M.A. ECHEVARRIA BACIGALULPE, op.cit., p.180.
179 Filips III aan Bedmar, 8/2/1621 (AGS E 2233, f.38)
180 over een voorstel van Christobal Pinto: Filips III aan Bedmar, 24/2/1620 (AGS E 2232, f.361)
aanbeveling van Carlos de Baudequin: Fílips III aan Bedmar, 9/4/1620 (AGS E 2232, f.383)
Bedmar moet aandacht schenken aan de oordelen van de Afforis, Filips IV aan Bedmar, 8/3/1621 (AGS E 2 33, f.44)
181 Filips III aan Bedmar, 18/10/1618, (AGS E 2232, f.l2l)


Bedmar werd tevens opgedragen contacten te leggen met Donato, die Venetiaans ambassadeur was te Londen en vertrok naar de Noordelijke Nederlanden, vanwege een slechte verstandhouding met de Italiaanse stadstaat. La Cueva zou moeten proberen informatie los te krijgen over de oorlogen te Savoie en over het verdrag dat werd afgesloten betreffende twee Engelse vloten die onder de Noord-Nederlandse vlag op de lndien zouden varen. La Cueva moest vervolgens al het mogelijke doen om deze
•
 
afvaart te verhinderen 182


De verdeeldheid tussen de Arminianen en de Gomaristen in de Noordelijke Nederlanden was een courant onderwerp in de Zuid-Nederlandse spionageberichten. Spanje probeerde de tegenstellingen uit te spelen onder het oude motto 'verdeel en heers', waarbij Bedmar een actieve rol speelde.
In januari 1620 ontving la Cueva berichten uit Den Haag over de ontzetting van de Arminianen uit de publieke ambten. In verschillende steden waren magistraten ontslagen omdat '('..e ongeschikt zouden zijn. Al hoewel de vervolgingen een kleine maand later niet hadden opgehouden, had de ambassadeur er een goed oog in. Volgens hem waren de Arminianen in de meerderheid en zouden ze zich uiteindelijk ontdoen
•
 
van de last die de Gomaristen waren 183
Op dat moment opperde la Cueva niet om de tweedracht te manipuleren.
In mei 1620 werd Bedmar gevraagd door de koning het voorstel van de graaf van Argaill te bestuderen. Het betrof een geheime verklaring van de Arminianen waarin die zich bereid verklaarden te vechten tegen graaf Maurits en de Gomaristen. De Spaanse vorst wilde hen eventueel steunen en de volgende afspraken werden gemaakt: de vorst zou hen hun rebellie vergeven en de Arminianen zouden opnieuw de privilegies krijgen van voor de opstand; binnenshuis zouden ze godsdienstvrijheid genieten; het Spaanse leger zou de plaatsen verdedigen die door Maurits werden aangevallen en bij de aanstelling van magistraten zou men geen rekening zou houden met hun geloof, katholiek of protestant.
Bedmar werd aangemaand de zaak strikt geheim te houden en met voorzichtigheid te behandelen. Hij moest rekenschap afleggen aan de aartshertog en de Raad op de hoogte houden. De vertrouwelingen van Manuel Sueyro mochten als hulp ingeroepen worden maar werden geacht op afstand te blijven van de delegatie van Argaill. Enkel 
•
 
Spinola en de graafvan Añover mochten worden ingelicht 184
In augustus polste Filips III naar het vervolg op de geschillen tussen de twee partijen185•


182 Consulta Consejo de Estado, 30/6/1620 (AGS E 2034, f.58) Filips III aan Bedmar, 917/1620 (AGS E 2232, f.422)
183 Bedmar aan Filips III, 11/2/1620, gelezen te Madrid 19/2/1620 (AGS E 2034, f.32)
184 Consulta Consejo de Estado, 16/12/1619 (AGS E 2033, z.f.) Consulta Consejo de Estado, s.d. (AGS E 2033, f.84)
Consulta Consejo de Estado, s.d. (AGS E 2033, f.85) Filips III aan Bedmar, 7/5/1620, (AGS E 2232, f.332)
185 Filips III aan Bedmar, 26/8/1620 (AGS E 2232, f.394)


•
 
Ook werd Bedmar geacht de mogelijkheden in Gelre te onderzoeken. Juan de Vera beweerde dat er vele personen met gezag in die streek bereid waren om de Spaanse koning van dienst te zijn. De koning wilde op de hoogte gehouden worden van de bevindingen van de ambassadeur 186
De koning bleef de ambassadeur aansporen om de geschillen tussen de Arminianen en de Gomaristen aan te wakkeren en Filips III vroeg Bedmar na te gaan hoe men de
•
 
Arminianen kon steunen187


De dreiging vanuit de Staatse provmctes hield Madrid alert. La Cueva werd opgedragen orde op zaken te stellen in Antwerpen samen met Don Iñigo de Borja, de bevelhebber van de citadel. Borja was te weten gekomen dat de Noordnederlanders inlichtingendiensten bezaten in Antwerpen, Oostende en Hulst. Omdat Antwerpen een kem van protestanten had, concludeerde Filips ITI dat het gevaar bestond dat de Noord-Nederlands van daaruit een groot stuk van Vlaanderen en Brabant zouden inpalmen. Bedmar werd gevraagd in te grijpen door de verdediging op punt te stellen en in al wat Antwerpen aanging, te overleggen met Borja. Albrecht mocht voorlopig niet op de hoogte gesteld worden. De burgemeesters die niet Spaansgezind waren, moesten vervangen worden en de Walen die gelegerd waren in de vestingen, dienden
•
 
op een discrete manier te worden verwijderd188
Uit deze laatste maatregel zouden we kunnen afleiden dat de Waalse soldaten als niet helemaal betrouwbaar werden beschouwd.


La Cueva bracht de koning op de hoogte van allerlei onderwerpen met betrekking tot de Verenigde Provinciën, waarvan hij dacht dat ze relevant waren voor de Spaanse kroon.
Elke mogelijke dissidentie in de Noordelijke Nederlanden werd door de informanten op de voet gevolgd en indien mogelijk uitgebuit.
Bedmar had het over het vertrek van de oude prinses van Oranje naar Frankrijk en over een verordening die in de Republiek gepubliceerd werd over de vaart op de
•
 
Indien189
Het bericht was inderdaad van belang voor de koning, want hij droeg Don
•
 
Fernando Gir6n op de prinses, die de Republiek voorgoed verlaten had, in het geheim te benaderen en op één ofandere manier voordeel té halen uit haar vlucht 190







186 Filips III aan Bedmar, 26/9/1620 (AGS E 2232, f.286) Filips III aan Bedmar, 26/10/1620 (AGS E 2232, f.293)
187 Filips III aan Bedmar, 13/12/1620 (AGS E 2232, f.316)
188 Filips III aan Bedmar, 27/5/1620, (AGS E 2232, f.382)
189 Filips III aan Bedmar, 10/6/1620 (AGS E 2232, f.260)
19°Filips III aan Fernando Girón, 10/6/1620 (AGS E 2232, f.340)

Filips III was onmiddellijk geihteresseerd in het nieuws dat Friesland het reeuw gouvemeur, graaf Hendrik, niet wilde erkennen. Hij vroeg Bedmar om nadere uitleg 191•
De ambassadeur hield de vorst op de hoogte van het in gereedheid brengen van het
•
 
Noordnederlandse leger 192
•
 
Op het einde van het jaar 1620 moest de ambassadeur onderzoeken welk kasteel, in de buurt van een rivier, tussen Brugge en Oostende, de Noordnederlanders van plan waren aan te vallen onmiddellijk na afloop van het Bestand en het zien te verhinderen 193 Begin 1621 deed la Cueva melding over de legerherv.ormingen in de Republiek. De compagnieen van de infanterie die zeventig manschappen telden zouden worden uitgebreid tot honderd en die van honderd tot honderd vijftig. De gehele infanterie zou zo op twaalfduizend (12U) soldaten gebracht worden en de cavalerie op duizend. De Raad stelde de koning voor om het Spaanse leger op dezelfde manier te hervormen,
•
 
om zich op die manier veel te besparen194
.
 
Toen de oorlog hemomen was, beoogde Filips IV via Bedmar te weten te komen wat de oogmerken waren van het Staatse leger 195
Bedmar had de vorst een bericht doorgegeven over de bedoelingen van graaf Jan van Nassau. Het moet een boodschap van belang betreffen want Filips IV besloot ze voor
,
 
te leggen aan 'de raadsheer van het land', die nog niet was aangesteld in Spanje 196 en tevens Isabella in te lichten. De vorst trok er als conclusie uit dat de trouwe, katholieke Noordnederlanders zouden moeten vergoed worden voor de schade, aangebracht door de Spanjaarden197•


Blijkbaar bestond er m de Zuidelijke Nederlanden minstens nog een derde inlichtingennetwerk: dat van Manuel de Sosa y Acosta. Deze verbleef te Antwerpen en stond in contact met de veedor general. De Sosa beschikte over zijn eigen informanten en kreeg opdracht van de Spaanse koning om Bedmar informatie te verstrekken over de Verenigde Provincien. La Cueva werd gevraagd de Sosa goed te ontvangen en hem 'tevreden te stellen, zoals hij dat verdiende', nadat hij de berichten had
•
 
doorgegeven198



191 Filips III aan Bedmar, 2/9/1620 (AGS E 2232, f.391)
192 Filips III aan Bedmar, 3/10/1620 (AGS E 2232, f. 295)
193 Filips III aan Bedmar,  II/12/1620 (AGS E 2232, f.319)
194 Consulta Consejo de Estado, 25/2/1621 (AGS E 2035, f.47)
195 Filips IV aan Bedmar,  II/9/1621 (AGS E 2233, f.125)
196 Op 30 maart 1622 werd Iñigo de Brizuela tot presidente de Flandes benoemd.
R VERMEIR. P. JANSSENS, "Hoge Raad voor de Nederlanden en Bourgondite Madrid" in: De centrale overheidsinstellingen..., p.99.
197 Filips IV aan Bedmar, 14/10/1621 (AGS E 2233, f.146)


1.2.3.2 Inlichtingennetwerk Sueyro


Bij zijn aankomst te Brussel kreeg Bedmar nogmaals de instructie van de Consejo de Estado om de geheime onderhandeling met Sueyro voort te zetten en als er zich andere
•
 
contacten aanboden, bijvoorbeeld met Engeland, om die niet af te wijzen199 Bedmar onderhield Sueyro's netwerk, op uitdrukkelijk bevel van Spanje, naast dat van hemzelf.

De eerste ontmoeting tussen de ambassadeur en het Antwerpse hoofd vair de . inlichtingendienst, waarvan Bedmar verslag uitbracht bij de koning, vond plaats eind januari of begin februari 1620.. Sueyro had in die periode de koning aangeschreven, omdat er onrust was in de Republiek, ditmaal tussen de Gomaristen onderling, maar het ontbrak hem aan het nodige geld om de tegenstellingen te bevorderen. Hij vroeg dan ook aan de vorst, en zeker niet voor de laatste maaom Bedmar aan te moedigen in zijn portefeuille te tasten.
Nadat Sueyro naar Brussel was ontboden, verlangde Bedmar van hem een lijstje van zijn vertrouwensmannen in de Republiek, zodat de ambassadeur kon nagaan 'wat voor mensen het zijn'. Sueyro stemde toe maar liet niet na zijn beklag te doen bij de koning over deze handelswijze200 • Verder ging het gesprek blijkbaar alleen nog over geld. De 'gewone voorziening' voor de vertrouwensmannen bedroeg 375 Brabantse gulden, die rechtstreeks uit Madrid aan Diego Lopez Sueyro zouden betaald worden. Maar Manuel Sueyro beweerde ook recht te hebben op een extra som geld uit de geldpot van de ambassade. Bedmar scheepte hem af met een lening ter waarde van de twee maanden loon die Sueyro tegoed had en maakte zijn twijfels kenbaar bij Filips III over het nut van Sueyro's bedrijf. La Cueva verwachtte niet dat Sueyro's inlichtingendienst er toe zou bijdragen de rebellen tot gehoorzaamheid te dwingen of dat hij er zelfs maar zou in slagen eventuele onderhandelingen over een nieuw bestand te vergemakkelijken201 •


In november 1620 beschuldigde Sueyro Bedmar ervan niet snel genoeg te reageren op zijn berichten uit de Noordelijke Nederlanden. Volgens Don Augustin Messia, lid van de Consejo de Estado, ging Bedmar in de fout, toen hij naliet verslag uit te brengen aan de Raad over het bouwen van forten door de rebellen, wat tegen het Bestand was. De vorst gaf Messia daarin gelijk. Ook werd Bedmar aangemaand in de toekomst advies geven over hoe men vanuit Spaanse hoek de Arminianen en de Gomaristen nog meer tegen elkaar kan opzetten en hoe men steun zou kunnen verlenen aan de eersten.

De raadsleden en Filips III waren van mening dat de inspanningen van Manuel Sueyro beter beloond hoorden te worden en de vorst drong er dan ook verschillende keren bij


198 Manuel de Sosa, Filips III aan Bedmar, 8/2/1621 (AGS E 2233, f.38)
199 Consulta Consejo de Estado, 30/ II/1619 (AGS E 2033, z.f.)
200 Sueyro aan Filips III, 25/ II/1620 (J.J. POELHEKKE, op.cit. bijlage Il)
201 J.J. POELHEKKE, op.ci!, pp.ll6- II7.

Bedmar op aan om Sueyro een eenmalige premie uit te keren van het geld van de ambassade202 .


Op 25 november 1620 en 15 januari 1621 schreef Manuel Sueyro rueuwe klachtenbrieven naar de Spaanse Raad van State. Zijn vertrouwensper onen hadden bericht uitgebracht over een junta die zou worden opgericht voor de eventuele vergoeding van de schade die zou worden aangericht te Antwerpen. Betrof deze 'mogelijk aan te richten schade' hier een uitloper van de vrees voor een protestantse invasie vanuit Antwerpen? Bedmar had beweerd, dat diegenen die Sueyro had voorgesteld als onderhandelaars over de compensatie, vermeende legisten ('letradillos') waren. Als antwoord zond Sueyro Bedmar een afschrift van de laatste raadgevingen van deze vertrouwelingen waaruit bleek dat het integendeel om personen ging van groot belang. De junta is er toch niet gekomen.
De markies van Bedmar had op geen enkele brief gereageerd, klaagde Sueyro. La Cueva waardeerde de berichten niet; 'no los estima mas, que si fuessen de gazeta'. Zelf durfde de informant niets te ondememen omdat het staatszaken aanging, waarvan hij Albrecht niet op de hoogte kon stellen.
Bovendien had de ambassadeur Pedro de San Juan, één van de opvolgers van Mancicidor, op de hoogte gesteld van Sueyro's activiteiten, waam San Juan de hoofdinformant op de vingers keek. Sueyro vond dat de situatie zote gevaarlijk werd, omwille van het feit dat Albrecht, althans officieel, niets wist van het bestaan van zijn inlichtingennetwerk, en vroeg om overgeplaatst te worden naar een andere streek en ook om de titel te krijgen van agent van de Portugese Kroon203•
Filips III greep in en vroeg Bedmar te melden wie hij van het bestaan van Sueyro's netwerk op de hoogte had gebracht en aan welke personen hij de lijst van vertrouwensmannen van Sueyro had doorgegeven en maande hem aan in het vervolg de striktste geheimhouding te respecteren204 • De vorst vroeg meerdere malen de mening van Bedmar over de informant, zonder dat de ambassadeur antwoordde, en lichtte hem in over de belangrijkste punten uit de brieven van Sueyro, behalve dan wat betreft zijn mening over de markies zelf 05•





202 Consulta Consejo de Estado, 17/ III1620 (AGS E 2033, f. II7-120) Filips III aan Bedmar, 24/ III1620 (AGS E 2232, f.308)
Filips III aan Bedmar,  III2/1620 (AGS E 2232, f.323)
Filips III aan Bedmar, 5/2/1621 (AGS E 2233, f.35)
203 Consulta Consejo de Estado, 22/2/1621 (AGS E 2035, f.70)
Sueyro aan Filips m,25/ II/1620 (J.J. POELHEKKE, op.cit, bijlage Il)
204 Filips III aan Bedmar 27/3/1620 (AGS E 2232, f.379)
205 Filips III aan Bedmar, 22/4/1621 (AGS E 2233, f.69) Filips III aan Bedmar, 14/5/1621 (AGS E 2233, f.92) Filips III aan Bedmar, 22/7/1621 (AGS E 2233, f. 116)


De Consejo de Estado zou Albrecht op de hoogte brengen en aan de inlichtingendienst (agencia) van Portugal vragen ervoor te zorgen dat Sueyro zevenhonderd florijnen per jaar zou krijgen 206.


De vijandschap tussen de twee bereikte in 1621 een hoogtepunt. Sueyro vroeg de koning en de Consejo de Estado Bedmar op te dragen hem met rust te laten als ze wilden dat hij zijn correspondentie verder zette. De erkenning die Sueyro genoot in Madrid werkte volgens de Portugees als een rode lap op een stier omdat die in tegenspraak was met Bedmars gezag. De ambassadeur behandelde hem 'alsof ik zijn slaafwas en hij begraaft mijn werk met zijn haat'. De Consejo de Estado nam het voor Sueyro op207•
In mei en juni drong de vorst er nog eens bij Bedmar op aan om Sueyro bij te staan, ' con algo maas de lo ordinario'. De vorst drukte op het belang van de geheime dienst van Sueyro en geloofde wel in zijn nut voor het mogelijk verbeteren van het Bestand en voor de terugkeer van de Noordelijke Nederlanden onder Spaanse hegemonie208•


Op 22 juli 1621 kregen Sueyro en Bedmar bericht van de Spaanse koning dat Sueyro vanaf dan ook verantwoording moest afleggen aan Albrecht, en dit vía de ambassadeur209• Bij de ontvangst van dit bevel was de aartshertog al overleden, waam Sueyro dus onder de supervisie van Isabella kwam te staan210• Zij zou al evenmin op goede voet staan met de Portugees als Bedmar211•


Uit de geraadpleegde bronnen zou men kunnen besluiten dat Bedmar zijn eigen aversie ten aanzien van Sueyro, boven de wil van de koning stelde om de hoofdinformant te blijven steunen. Deze aversie sproot waarschijnlijk voort uit het streven van Bedmar naar een betere geheime berichtgeving aan Madrid, waarbij hij Sueyro als een concurrent zag. Volgens Echevarria Bacigalupe was Bedmar jaloers op de resultaten van de Portugees.











206 Consulta Consejo de Estado, 22/2/1621 (AGS E 2033, f.70)
207 M.A ECHEVAR.RIA BACIGALULPE, op.cit, pp.180-181.
208 Filips III aan Bedmar, 17/5/1620 (AGS E 2232, f. 415) Filips III aan Bedmar, 3/6/1620, (AGS E 2232, f.341)
209 Filips III aan Sueyro, 22/7/1621 (AGS E 2233, f. II8) Filips III aan Bedmar, 22/7/1621 (AGS E 2233, f. 116)
210 Sueyro aan Filips III, 7/8/1621 (AGS E 2035, z.f.)
211 M.A ECHEVAR.RIA BACIGALULPE, op.cit., p.l61.

No hay comentarios:

Publicar un comentario