martes, 10 de enero de 2012

6


1.3 Keizerrijk


Tussen Spanje en het Heilig Roomse Rijk bestond er een nauwe relatie. Een goede verstandhouding tussen de Spaanse koning en de keizer was onontbeerlijk voor het openhouden van de verbindingen tussen het lberisch schiereiland en de Nederlanden. Het Rijk had Spanje ook al meermaals bijgestaan door middel van troepenversterkingen. Madrid was er anderzijds van overtuigd dat de Weense Habsburgers niet zonder financiele en eventueel ook militaire steun van Spanje konden. Onder Filips III, op aansturen van Lerma, de meer dan rechterhand van de koning, waren de banden echter verzwakt.
In 1609 laaiden de tegenstellingen tussen de Duitse protestanten en katholieken zo hoog op dat er twee partijen werden gevormd: de Evangelische Unie werd aangevoerd door Frederik V van de Palts en de Katholieke Unie door hertog Maximiliaan I van Beieren.
Zúñiga, die Lerma was opgevolgd in Spanje als feitelijk regeringsleider, zou ervoor zorgen dat de contacten met de Weense Habsburgers opnieuw zouden toenemen. De aanleiding hiervoor was de Boheemse crisis.


Keizer Mathias, die kinderloos was, had als zijn opvolger zijn neef, aartshertog Ferdinand, naar voren geschoven, die een militant katholiek was. De andere mogelijke erfgenamen, waaronder Albrecht en Filips III, zagen mits de nodige onderhandelingen af van hun opvolgingsrechten212. Mathias slaagde erin Ferdinand van Stiermarken te laten aanduiden tot koning-elect van Bohemen en Hongarije, zodat zijn weg geeffend leek naar zijn verkiezing tot keizer van het Rijk. Het conflict in Bohemen zou echter leiden tot complicaties.
De Boheemse regentenraad, die in afwezigheid van Mathias en Ferdinand het gebied bestuurde, decreteerde in opdracht van beide vorsten tal van anti-protestantse maatregelen. De Boheemse protestanten kwamen in opstand en gooiden drie leden van de regentenraad uit een raam op de eerste verdieping van het paleis van Praag. De revolte was bedreigend voor de keizer en voor de afhandeling van de komende opvolging, vermits de Boheemse koning één van de zeven keurvorsten was, die de keizer verkozen. Het keurvorstencollege telde op dat moment vier katholieken en drie protestanten, maar indien de revolte tot een protestantse koningskroon zou leiden, zou de meerderheid omslaan, waardoor de keizerskroon eveneens in protestantse handen zou overgaan.




212 De graafvan Ofiate, de Spaanse ambassadeur te Wenen, sloot met Ferdinand het Verdrag van Graz af: waarbij Filips III afstand deed van zijn rechten in ruil voor een geldsom en, eens Ferdinand keizer zou zijn, voor de Elzas en drie keizerlijke enclaves in Noord-Itali.
Zie R VERMEJR. op.cit., p.25.

Spanje besloot de vraag naar hulp van Mathias, die niet over een staand leger beschikte en met een lege schatkist te kampen had, te beantwoorden. Ondanks tegenkanting van de Lerma-clan, probeerde Zúñiga te voorkomen dat de revolte zou uitbreiden en zou leiden tot een oorlog tussen katholieken en protestanten. Opnieuw in het kader van de verdeel-en-heerspolitiek zocht en verkreeg hij medewerking van de protestantse keurvorst van Saksen, en hij verzekerde zich ervan dat Engeland neutraal zou blijven. Maar James I, vorst van Engeland, kon niet verhinderen dat zijn schoonzoon, de calvinistische Frederik V van de Palts, keurvorst en hoofd van de Evangelische Unie, partij koos voor de rebellen. Op 26 augustus 1619 werd hij door de rebellen tot koning van de Bohemen gekozen in de plaats van Ferdinand. Twee dagen later werd Ferdinand desondanks unaniem verkozen tot keizer van Heilig Roomse Rijk. Ook de protestantse keurvorsten hadden hun steun verleend; het nieuws van de kroning te Bohemen was nog niet doorgedrongen, maar desondanks was het ook een teken aan de wand dat de sympathie voor de rebellen niet onnoemelijk groot was. De Duitse rebellen konden op niet veel steun rekenen van de protestanten in eigen land, Engeland bleef zoals gezegd neutraal, waardoor ook de Verenigde Provincien zich terughoudend opstelden.
De katholieken daarentegen vormden een machtig blok. Maximiliaan van Beieren, die als enige in het rijk over een georganiseerd leger beschikte, schaarde zich achter de nieuwe keizer, in ruil voor de belofte dat de electorale waardigheid van de deloyale Paltsgraaf naar hem zou overgaan; de paus zond financiële middelen en Spanje stuurde omvangrijke hulp. In maart 1619 overleed de gematigde Mathias, waarna Ferdinand de weg vrij had om een confrontatie aan te gaan met de rebellen. In april 1619 rukte een Spaanse troepenmacht van zesduizend soldaten vanuit de Nederlanden op naar de Bohemen, en een maand later evenveel vanuit Lombardije.


In de herfst van dat jaar vonden er in Brussel onderhandelingen plaats, betreffende de Duitse gebieden, waaraan de markies van Bedmar deelnam213•
•
 
Begin 1620 kreeg la Cueva de richtlijnen te horen die, na de verslechterde situatie in het Rijk, door de koning aan Albrecht en de Spaanse ambassadeur te Wenen waren gegeven, zodat Bedmar van alles op de hoogte bleef 214
In februari 1620 schreef Bedmar naar de koning om te benadrukken, dat het geld waar Albrecht naar vroeg, namelijk één miljoen, zeshonderdduizend dukaten, werkelijk nodig was voor de Palts. La Cueva vond dit van dergelijk belang dat hij een gezant stuurde naar Madrid om de zaak te bepleiten215•
Zowel de keizer, Zúñiga, de graafvan Ofiate, die Spaans ambassadeur te Wenen was, als aartshertog Albrecht spoorden Filips III aan tot een invasie van de Nederpalts. Ook



213 Sanseverino aan Borgbese, 2/ II/1619 (NdF IV, 1225)
214 Filips ID aan Bedmar, 12/ III620 (AGS E 2232, f.366) Filips III aan Bedmar, 3/2/1620 (AGS E 2232, f.367)
215
Bedmar aan Filips III, 2/2/1620, ge1ezen te Madrid 19/2/1620 (AGS E 2034, f.30-32)


Bedmar hield op 13 april een pleidooi voor een gewapende ingreep in de Palts. Hij was van mening dat er zich in die streek geen noemenswaardige versterkingen bevonden of grote aantallen mensen die zich zouden verzetten. Daarom dacht hij dat het niet moeilijk zou zijn de Palts in te nemen en te behouden. Het gebied was omgeven door Spaans grondgebied en dat van bondgenoten en er zouden veel heffmgen kunnen geihd worden. Toch zou men best in de proviandering van het leger voorzien om de bevolking niet voor het hoofd te stoten. Om dezelfde reden vond Bedmar ook dat men niet van bij het begin belastingen moest opleggen.
Van de koning van Engeland viel niet veel te vrezen, hij stond er financieel niet goed voor. Toch zou hij, volgens Bedmar, trachten zijn schoonzoon te steunen, zonder Spanje voor het hoofd te stoten. Ook van de Noordnederlandse kant was er niet veel kans op gevaar. De ambassadeur stelde voor alle katholieke troepen te verenigen onder de naam van Filips III. Bedmar steunde de visie van Albrecht op de Boheemse kwestie.
Samen met Spinola drukten beiden op het belang van het miljoen en zeshonderdduizend ducaten die hen beloofd waren in verband met een oorlog in de Palts en die zeker op tijd moesten aankomen in Brussel. Een rniljoen tegen eind mei, zodat met de lichtingen kon begonnen worden en de rest van het geld tegen juli. Zo, hopend dat de gebruikelijke vertragingen bij de levering van het geld zouden uitblijven, kon men vertrekken in augustus.
De ambassadeur bracht Filips ID in herinnering dat zowel aartshertog Albrecht, de katholieke keurvorsten, de hertog van Beieren, de Katholieke Unie als de graaf van Oñate, Spaans ambassadeur in het Rijk en zelfs de koning van Frankrijk, op het belang en de noodzaak van een oorlog hadden gewezen. Bedmar benadrukte dat deze zo snel mogelijk moest aanvangen, voor de Boheemse rebellen uitbreiding namen en de neutrale protestanten hun kamp zouden gekozen hebben. La Cueva verwachtte militaire steun van de Fransen, die zou uitblijven als de veldtocht werd uitgesteld. De Franse koning zou zich toch al op de vlakte houden, maar dat kon de ambassadeur niet weten. Verder argumenteerde hij dat, met de legerleiding in handen van Spinola, geen uur verloren zou gaan.
De Consejo de Estado drong bij de koning aan om het geld inderdaad snel daar te krijgen216 • Deze trof regelingen om het beoogde bedrag uit Milaan, Napels en Sicilie, op tijd te doen aankomen in de Zuidelijke Nederlanden en stelde Bedmar hiervan op
•
 
de hoogte17
De ambassadeur informeerde de Spaanse vorst over Staatse hulp aan de protestanten in de Palts218 •



216Bedmar aan Filips Ill, 13/4/1620, gelezen te Madrid 28/4/1620 (AGS E 2034, z.t:)
Consulta Consejo de Estado, 5/5/1620 (AGS E 2034, f. 17-24)
217 Filips IV aan Albrecht, 3/6/1620 (AGS E 2232, f.269) Filips IV aan Bedmar, 3/6/1620 (AGS E 2232, f.261)
218 Filips III aan Bedmar, 29/4/1620 (AGS E 2232, f.386)

Op 9 mei 1620 besliste Filips III tot de invasie en liet dit weten aan la Cueva, waarbij hij nogmaals benadrukte dat de som geld op de afgesproken termijnen betaald zou worden219•


De daaropvolgende maanden werd een leger opgericht in de Zuidelijke Nederlanden en werd de tercio van Ballon, maestro de campo, vanuit Milaan naar Brussel gevorderd. Filips III beloofde Bedmar dat het geld op de juiste termijn zou geleverd worden. Verder bedankte de koning la Cueva voor het verslag dat hij had uitgebracht over hoe Albrecht te werk ging bij de benoemingen van de kapiteins en de hoofden van het opte richten leger, en vroeg de vorst hem te laten weten, wie van het oude leger zou overgebracht worden naar het nieuwe en van welke nationaliteit ze waren220•
In zijn vorige brief betreffende de verkiezing van de legertop, had Filips III laten verstaan dat aan Spaanse militairen voorrang moest gegeven worden221•
Vanuit Brussel bleef men er bij de vorst op aandringen om het geld op tijd te doen aankomen. Filips Ill verbaasde zich over zoveel wantrouwen, wat nochtans te begrijpen was wegens de voortdurende problemen met de Spaanse financiën. De koning vroeg aan Bedmar in te grijpen indien de voorbereidingen van de invasie zouden verslappen. Albrecht en Spinola zouden moeten duidelijk gemaakt worden dat de Spaanse vorst geen uitstel duldde. De veldtocht zou van start gaan in de zomer, desnoods onder ander opperbevelhebberschap, en Bedmar moest in dat geval regeren zoals het hem goed dunkt en zoals Filips ITI van hem zou verwachten222•


De hertog van Beieren, belangrijkste medestander van de Spanjaarden in het Paltscon:flict, meende te hebben verstaan dat hij Albrecht moest aansporen snel iets te ondememen tegen de Bohemers, om daama zijn leger te keren tegen de bannelingen van het Rijk. Zonder de hulp van het Spaanse leger zou elke actie zinloos zijn.
De hertog achtte het noodzakelijk eerst de keizer bij te staan vooraleer te breken met de Evangelische Unie, want de protestanten zouden zich anders genoodzaakt zien, zich af te keren van de keizer. Maximiliaan van Beieren vond het belangrijk dat de katholieke medestanders zich als één man schaarden achter de Spaanse koning, die de leider was van de ondememing. Moest deze eensgezindheid er niet zijn, zouden de rebellen van de gelegenheid gebruik maken, om de Hongaren, de Turken en wie ze nog meer bereid konden vinden, bij het conflict te betrekken. Nu dit niet het geval was geweest, hadden de rebellen meegewerkt aan de vtedespogingen van de Franse ambassadeurs in het Rijk, die volgens deze laatsten in het voordeel van de katholieken
uitdraaiden223•


219 Filips III aan Bedmar, 9/5/1620 (AGS E 2232, f.412)
22°Filips III aan Bedmar, 10/6/1620 (AGS E 2232, f.260)
221 Filips III aan Bedmar, 3 II5/1620 (AGS E 2232, f.347)
222 Filips III aan Bedmar, 1517/1620 (AGS E 2232, f.430)
223 Kopie van de brief van de hertog van Beieren aan Albrecht, 617/1620 (AGS E 2034, f.10- II)

De hertog probeerde op deze manier voorzichtig in te kleden dat hij een pakt had gesloten met de Evangelische Unie. Daarin sloot hij vrede tussen de protestanten en de katholieken in het Rijk; de Boheemse kwestie werd buiten beschouwing gelaten. Als er een leger moest passeren door een gebied van de andere partij, diende men een vergunning aan te vragen, maar als de licenties volgens de regels waren afgehandeld, zou men de milities vrije doorgang verlenen, mits de nodige compensaties voor de schade aangebracht bij de doortocht24 •


Bedmar lichtte de Spaanse koning in over het vredesverdrag dat de hertog had afgesloten met de protestanten. De ambassadeur stond vol verbazing en zag het bestand als een beletsel voor de operatie in de Palts. Noch Albrecht, noch Oñate, noch de leden van de Katholieke Unie of de keizer, wisten iets af van de plannen van Maximiliaan van Beieren. Toch verzocht de hertog Filips III tussen te komen in het Rijk. De beweegredenen die de Beierse hertog aanhaalde voor zijn actie waren volgens Bedmar verdraaiingen van de feiten. De tussenkomst van de Franse ambassadeurs had, volgens la Cueva, als hoofdbedoeling te verzekeren dat de Spaanse troepen in de Palts zouden interveniëren. Omdat men het gedane niet meer kon omkeren, stelde Bedmar voor zich te schikken naar de mening van de hertog en het Spaanse leger zo te stationeren dat het contact tussen de 'ketters' en de hulp uit Oostenrijk en Bohemen zou verbroken worden, om daarna aan te vallen in de Palts. De interventie zou beter nog sneller plaatsvinden, want Bedmar vreesde dat het Spaanse leger, in plaats van het bevriende leger van de Katholieke Unie aan te treffen, dat van de vijand tegen het lijf zou lopen, waardoor men in de tegenovergestelde uitgangspositie terechtkwam van wat de hertog van Beieren voorheen graag deed geloven. Volgens Bedmar moest de Spaanse koning niet te veel meer rekenen op bijstand van de Katholieke Unie. Nu ze een verdrag hadden afgesloten met de protestanten, zouden ze er niet meer op gebrand zijn om Spaanse troepen door hun gebieden te zien trekken, ook al ging het om bevriende partijen. Vanwege het afgesloten bestand kon men, volgens Bedmar, niet met zekerheid zeggen of hertog Maximiliaan de keizerlijke partij onvoorwaardelijk zou steunen. Maar zijn bijstand was noodzakelijk, zodat ze hem zouden moeten nemen zoals hij was en ze zíjn raad, tenminste voor deze keer, zouden volgen. In het geval de hertog van Beieren zijn steun zou ontzeggen en het leger zou falen, zou de oprichting van het Paltsleger toch een goed afleidingsmanoeuvre geweest zijn die de acties van
het andere leger (het Rijnleger) zouden vergemakkelijken225 •


lnjuli bracht Albrecht alles in gereedheid om de soldaten en de artillerie naar Koblenz in de Palts te brengen. De aartshertog stelde voor om Bedmar mee te sturen voor vijftien a twintig dagen. De Consejo de Estado reageerde verontwaardigd. Men had



224 Condiciones del concierto que ha hecho el s. Duque de Bauiera con los de la Union. s.d (AGS E
2034, z.f.)
225 Bedmar aan Filips m, 19/7/1620, gelezeñ te Madrid 30/7/1620 (AGS E 2034, f.12-13)

alle moeite gedaan om te vermijden dat bekend zou raken dat het het Spaanse leger betrof, dat naar de Palts werd gestuurd. De Spaanse ambassadeur daar laten verschijnen zou wel meer dan een hint zijn. De raadsleden benadrukten dat Bedmar niet kon beschikken over zichzelf zonder aanwijzingen van de koning, noch was het hem toegestaan zich te verwijderen van de aartshertog. Ze verwezen naar het goede voorbeeld van de voorgaande ambassadeurs die de aartshertog volgden tot in zijn vroomheid en ontspanningsactiviteiten. ('pues ya se saue la Instancia que han echo alli para seguirle aun en sus estaciones de deuocion y recreacion los antecesores del Marques de Bedmar...') Bovendien zou la Cueva in Brussel nodig zijn voor het geval Engelse ambassadeurs het hof van Albrecht zouden komen bezoeken en was het onrustig in de Verenigde Provinciën, die hulp zouden kunnen sturen aan de rebellen in de Palts. Indien de ambassadeur al vertrokken was bij de aankomst van de richtlijnen van de Raad, moest hij onmiddellijk teruggeroepen worden, want, nogmaals, het was zijn plicht en zijn beroep om de aartshertog bij te staan226• Bedmar werd dan ook op het matje geroepen door de koning in een briefin dezelfde lijn227•
De ambassadeur ontving deze orders blijkbaar te laat want hij bracht verslag uit bij de koning van de oversteek van de Rijn door Spinola. De markies had het leger toch vergezeld tot Koblenz. Hij was vertrokken op 9 augustus en kwam aan te Brussel op 28 augustus228 • Filips III vroeg hem naar zijn drijfveren voor deze onderneming229•
Op 18 augustus 1620 waren er troepenschouwingen voorzien voor het oog van Spinola en Bedmar230 • De Spaanse koning verlangde van la Cueva dat deze verslag uitbracht over de vorderingen van het Paltsleger en van het deel dat was achtergebleven in de Zuidelijke Nederlanden231 •


Een maand later marcheerde Spinola als legeroverste van vijfentwintigduizend man de Palts binnen232• Bedmar had Filips III intussen gerustgesteld dat de financiele hulp van de Noordnederlanders aan de Palts niet veel voorstelde233• De Engelse ambassadeurs waren ondertussen inderdaad gearriveerd in Brussel en maakten het standpunt van hun koning, betreffende een invasie van de Palts, duidelijk aan Albrecht en de Spaanse ambassadeur. Maar Filips III was niet van plan de veldtocht een halt toe te roepen. Uit dezelfde brief van de koning bleek dat Bedmar contact had opgenomen met de Hanzesteden,



226 Consulta Consejo de Estado, 20/8/1620 (AGS E 2034, f. 73)
227 Filips III aan Bedmar, 4/9/1620 (AGS E 2232, f.284)
228 Bedmar aan Filips III, 1/9/1620 (CCE 1, 1499)
229 Filips III aan Bedmar, 3/10/1620 (AGS E 2232, f.295)
230 Sanseverino aan Borghese, 15/8/1620 (Nd.F N, 1405)
231 Filips III aan Bedmar, 26/8/1620 (AGS E 2232, f.394)
232 R. VERMEIR, op.cit., pp.23-29.
J.H. ELLIOTT, The Cmmt-Duke..., pp.59-63.
233 Filips III aan Bedmar, 2/9/1620 (AGS E 2232, f.391)



zoals hem ook was gesommeerd in zijn instructies. De Spaanse vorst verzekerde la Cueva de afgevaardigden van deze steden in Spanje goed te ontvangen234 •


Met de gedeeltelijke inname van de Nederpalts verwierf Spinola controle over de Midden-Rijn, een belangrijke schakel voor Spanje in de verbindingsweg tussen Lombardije en de Nederlanden. Bovendien bezette de hertog van Beieren de Opperpalts. Deze inname van de !anden van Frederik V luidde het einde in van de rebellen die op 8 november te Witte Berg nabij Praag verslagen werden door de katholieke coalitie.
Ferdinand II narn het Boheemse koninkrijk weer in bezit en de Neder palts werd door de keizer aan Spanje toegewezen, waar de oorlog nog niet beeindigd was235•


In de periode van de overwinning behandelde de Consejo de Estado een brief van Bedmar waarin hij schreef Albrecht te hebben aangeraden de keurvorst van Keulen hulp te hieden tegen de Hollanders. Zowel Albrecht als Brizuela keurden deze actie goed.
Maar Don Augustin de Messia en de graaf van Benaviente, raadsleden van de Consejo de Estado, floten Bedmar terug. Hij werd niet geacht dergelijke raad te geven aan de aartshertog zonder eerst te overleggen met de koning. De betaling van tweeduizend infanteristen en driehonderd cavaleristen, die nodig waren voor de Duitse operatie, sloeg immers een behoorlijk gat in de Spaanse schatkist236 • Bovendien, schreef de koning aan Bedmar, bleef het leger in de Zuidelijke Nederlanden, onder leiding van Don Luis de Velasco, markies van Belvede?37, te verzwakt achter na deze aderlating om een eventuele aanval van de Staatsen af te slaan. Maar het kwaad was geschied en Filips III droeg la Cueva op hem op de hoogte te houden en hem zijn beweegredenen uiteen te Z(1tten238 • Nadat Bedmar dit gedaan had, werd hij door de koning in zijn gelijk gesteld; de Noordnederlanders hadden namelijk een citadel gebouwd op het eiland van Mondora239•


De nieuwe Spaanse vorst drong er bij de ambassadeur op aan zo weinig mogelijk gezanten te sturen naar Madrid, om financiële aangelegenheden betreffende het leget






234 Filips III aan Bedmar, 17/9/1620 (AGS E 2232, f.297)
235 R VERMEIR, op.cit., pp.23-29.
J.H ELLIOTI, The Count-Duke..., pp.59-63.
236 Consulta Consejo de Estado, 13/ III1620 (AGS E 2034, f.124)
237 A. RODRIGUEZ VILLA, op.cit., p.354.
238 Filips III aan Bedmar, 24/ II/1620 (AGS E 2232, f.435)
239 Filips III aan Bedmar, 8/2/1621 (AGS E 2233, f.39)

te bepleiten. Als reden gaf Filips IV aan dat de bodes over het algemeen toch niet veel meer deden dan hun eigen zaken behartigen240•


Toen Bedmar in een brief van 16 juni 1621 verscheidene argumenten aanhield om te bewijzen dat het streven naar een schikking in de Palts de beste uitweg zou zijn, gaf de Spaanse vorst hem gelijk241 •


De pauselijke nuntius te Brussel, Bagno, was voor een zo snel mogelijke verovering van de Palts door de Spanjaarden en drong hierover aan bij de Infanta. Hij vreesde dat de landvoogdes zich zou laten overtuigen door de Engelsen en zo weinig mogelijk actie zou ondememen. Om zich van zijn zaak zo goed mogelijk te verzekeren, probeerde hij tevens Bedmar en Brizuela, de oude biechtvader van de aartshertog, te bemvloeden242•
Twee maanden later kreeg Bagno van Bedmar allerlei verwijten te horen omdat het Spaanse leger had gehandeld naar de wensen van de paus. Gonzales de Cordova, leider van het Spaanse Paltsleger, had het beleg van Frankenthal op moeten geven onder dreiging van protestantse troepen.
Het was om de paus en de hertog van Beieren gunstig te stemmen, dat men het Paltsleger verder liet oprukken, terwijl ze zich hadden moeten tevreden stellen met het behoud van de posities. Bovendien had men zo de wensen van de Engelse koning en andere Spaanse belangen genegeerd. Bedmar deed verder zijn beklag over het feit dat de hertog zich op zes dagen afstand bevond bij de con:frontatie tussen de protestanten en het Spaanse leger. Bagno probeerde la Cueva te doen openstaan voor de mogelijkheid dat de Beierse hertog misschien opgehouden was. Uiteindelijk vertrok de ambassadeur van bij Bagno, iets kalmer maar nog steeds 'fort affecté, paree que les
Espagnols se vantent de ne jamais terrniner un siege si ce n'est en vainqueurs' 243•


Graaf Hendrik van den Bergh, die in 1632 de Spaanse koning zou verraden, werd reeds in november 1621 verdacht van anti-Spaanse sympathieen. In die periode nam hij deel aan het beleg van Gulik tegen de Noordnederlanders. De graaf van Oñate vroeg aan Isabella zijn overplaatsing naar de Palts. Maar zowel de Infanta als Spinola en Bedmar waren hier tegen. De Consejo de Estado raadde toch aan van den Bergh zo snel mogelijk op een eervolle manier uit de Nederlanden te verwijderen. Want hoewel er op zijn werk niets aan te merken viel, toch had men hem er op betrapt geen positieve gevoelens te koesteren voor Spanje. Filips IV deelde de mening ven de raadsleden niet- om de graaf toch naar de Palts te sturen. De markies van Montenegro



24°Filips IV aan Bedmar, 28/4/1621 (AGS E 2233, f.85)
241 Filips IV aan Bedmar, 30/8/1621 (AGS E 2233, f.124)
242 Bagno aan Ludovisi,  II/9/1621 (NdF V, 91)
243 Bagno aan Ludovisi, 6/ II/1621 (NdF V, 163)


ging in zijn plaats. Onbesliste de vorst om Bedmar een geheim bericht te zenden over de verdenkingen op de graaf 44 •


Maximiliaan van Beieren zou, zoals vooraf was afgesproken de keurvorst van de Palts worden. Toen Bagno informatie ontving dat deze benoeming mogelijk niet meer gesteund werd door Filips IV en Isabella, was hij verontwaardigd, wegens vroegere andere beloftes van de aartshertogin. Bedmar verzekerde Bagno dat het wel degelijk de wil was van de koning dat de hertog keurvorst zou worden, maar dat de Spaanse
vorst echter niet te vinden was voor een eeuwigdurende Duitse oorlog245 • 














































 
244 Consulta Consejo de Estado, 24/ II/1621 (AGS E 2035, f.40)
245 Bagno aan Ludovisi, 18/12/1621 (NdF V, 208)


2. 1622-1625




2.1 Zuidelijke Nederlanden


2.1.1 Isabella en la Cueva


In de herfst van 1620 ontdekte het opperste hof voor fmancien (contaduria mayor de cuentas) dat Albrecht waarschijnlijk bijna vijftigduizend dukaten uit de kas van het leger had gebruikt voor zijn woonst toen hij trouwde. Deze mogelijke corruptie werd in der minne afgehandeld met een intem onderzoek door de financiële verantwoordelijken van het leger en Bedmar. Als de ambassadeur deze hypothese kon bevestigen, zou de som vereffend worden met de honderdduizend dukaten die de Spaanse Raad van Financiën had vrijgemaakt voor de beschikkingen die Albrecht had getroffen246 .


Op het einde van het jaar 1621 kreeg Bedmar verzegelde instructies in bewaring, die pas te openen waren bij de dood van Isabella. De ambassadeur probeerde, onder het voorwendsel van het zo tijdig kunnen aanpassen van het document naar de veranderende omstandigheden en personen, de koning te overtuigen de inhoud aan hem bekend te maken. Filips IV was onvermurwbaar en gaf opdracht geen kopie naar Bedmar te sturen, noch hem in te lichten over de inhoud247• De ambassadeur werd dus wel een uiterst belangrijk document toevertrouwd maar werd gewogen en te licht bevonden om kennis te mogen nemen van de inhoud.


Op 23 april 1622 was de graaf van Osona in Brussel aangekomen als buitengewoon ambassadeur?48• Hij was de gezant die Filips IV na het overlijden van Albrecht had besloten te sturen om de condoleanties van de koning te betuigen bij Isabella. Osona overhandigde de landvoogdes tevens enige brieven van de Spaanse vorst en deed al het overige dat hem was opgedragen249• Twee maanden later reeds schreef Filips IV aan Bedmar over Osona's terugkomst naar Spanje. Deze zou plaatsvinden nadat Osona de belangrijkste steden in de Zuidelijke Nederlanden een bezoek had gebracht250 • Osona



246 Consulta Consejo de Estado, 3/9/1622 (AGS E 2036, f.90) Filips IV aan Bedmar, 18/9/1622 (CCE II, 319)
247 Bedmar aan Filips IV, 27/12/1621, gelezen te Madrid 18/ III622 (AGS E 2036, f.35)
248 Don Francisco de Moneada, graaf van Osona, later markies van Aytona zou in 1629 ambassadeur, en later wapengouverneur en interimair landvoogd worden in de Zuidelijke Nederlanden.
R VERMEIR, op.cit., pp.58-59.
249 Consulta Consejo de Estado, 4/6/1622 (AGS E 2036, f.51)
25°Filips IV aan Bedmar, 17/6/1622 (AGS E 2233, f.216)


had de nieuwe sterke man van de Spaanse Nederlanden kunnen zijn, en dat zou hlj later ook worden als vervanger van Bedmar en na de dood van Isabella als interimair landvoogd, maar in 1622 bleefhet bij een blitsbezoek.

Na de dood van Filips III werden voorbereidingen getroffen voor de eedaflegging van de afgevaardigden van de katholieke Nederlandse provinciën aan de nieuwe Spaanse koning. Op 28 december 1621 keurde de vorst de voorgestelde afhandeling van de trouwzwering goed. Hij drong er bij de aartshertogin op aan deze zo sne1 mogelijk te voltrekken251 • Uit een brief, een jaar later, van de koning aan la Cueva b1eek dat deze laatste mee was betrokken bij de organisatie van de plechtigheid. Filips IV vroeg hem, hoever het stond met de voorbereidingen van de eedaflegging, want de provinciale vertegenwoordigers waren 'al' opgeroepen252 . Pas op 20 maart 1623 kon la Cueva de koning melden dat de eedaflegging had plaats gevonden253•


Een jaar eerder, op 24 oktober 1622, ontving Bedmar de kardinaalshoed van Jean­ Baptiste de Lara, kamerheer van de paus. 'Cardinal de la Cueva' werd dezelfde dag in audiëntie ontvangen bij de Infanta254 •
Bedmar´s stijgende belang bleek ook uit het feit dat de paus hem machtigde tussen te komen bij strafrechterlijke en rnilitaire zaken in raden of junta's en deze materies te behandelen255 •


Het eerste bericht over de wens van Bedmar om zich in Rome terug te trekken, dateert van 28 januari 1623 en was van de hand van de nuntius. Bagno weet dit verlangen aan de nieuwe situatie die ontstaan was, door de dood van Balthasar de Zúñiga256 • De oud­
ambassadeur van de Spaanse koning te Brussel was lid geweest van de Consejo de Estado en had daarin een belangrijke rol gespeeld voor de Zuidelijke Nederlanden. Kardinaal Ludovisi, staatssecretaris van het Vaticaan en correspondent van Bagno, verheugde zich over het feit dat la Cueva de intentie had naar de Heilige Stad te komen257•


Een half jaar later werden de kardinalen gesommeerd naar Rome te komen voor de pausverkiezing. Isabella wilde la Cueva niet laten vertrekken omdat hij onmisbaar was in Brussel en de kwestie werd voorgelegd aan de Consejo de Estado. De meningen van de raadsleden waren verdeeld. Somrnigen stonden achter het standpunt van de landvoogdes, anderen, zoals de markies van Aytona,


251 Filips IV aan Isabella, 28/12/1621 (CCE IT, 165)
252 Filips IV aan la Cueva, 9/ III1622 (AGS E 2233, f.283)
253 la Cueva aan Filips IV, 20/3/1623 (CCE  II, 394)
254 Bagno aan Ludovisi, 29/10/1622 (NdF V, 509)
255 Ludovisi aan Bagno, 25/3/1623 (NdF V, 606)
256 Bagno aan Ludovisi, 28/1/1623 (NdF V, 562)
257 Ludovisi aan Bagno, 4/3/1623 (NdF V, 591)



vonden het belangrijk dat bij de keuze van de paus zoveel mogelijk Spaanse kardinalen aanwezig zouden zijn en dachten dat la Cueva zijn belangrijke zaken wel kon afhandelen bij zijn terugkomst. Filips IV volgde de raad van de graaf van Gondomar op: als Bedmar nog niet zou vertrokken zijn, zou hij blijven. Indien hij wel al op weg was naar Rome, mochten ze hem niet terugroepen258•
Een maand voor de beslissing van de koning, in juli 1623, had deze la Cueva .een eenmalige premie toegezegd van twaalfduizend ducaten. Het geld was afkomstig van de buit die de Zuidnederlandse armada had gemaakt en het werd de ambassadeur verleend omdat hij in geldnood zat en omdat Filips IV tevreden was over zijn diensten259•
De markies vertrok niet260, en vroeg wat hem te doen stond in geval van een nieuw conclaaf, want Isabella had uit de beslissing van de koning afgeleid, dat hij ook in de toekomst niet naar Rome kon gaan. Bedmar had verstaan uit de berichten van twee boodschappers dat de paus melancholisch zou zijn, vermoedens uitte van vergiftiging en maar een paar maanden meer te leven zou hebben. Hij dacht dat hij daar van enig nut kon zijn, vanwege zijn kennis over Italië261 • Vanuit Madrid werd besloten dat hij voor een nieuw conclaaf wel mocht vertrekken naar Rome, zonder te wachten op bericht uit Spanje en de Infanta werd gewaarschuwd hem dit niet te verhinderen262•


Omdat la Cueva aleen tijdje zijn verlangen uitte om naar Rome te vertrekken, besloot de koning opdracht te geven naar een waardige vervanger te zoeken om de landvoogdes bij te staan263• De markies van Villafranca en de graafvan Lemon, beiden leden van de Consejo de Estado, werden gevraagd personen voor te stellen. Ze beoordeelden het als een moeilijke opdracht omdat de nieuwe ambassadeur veelzijdig moest zijn om de misbruiken in het leger op te lossen, en de geheime uitgaven en de voordelen, die de Brusselse junta toekende, drastisch moest inperken. Voorts moest deze persoon de secretarissen in de hand kunnen houden, de inwoners van de Zuidelijke Nederlanden goed behandelen, de Spaanse financiën openbaar maken, vanwege het geldverslinding van Albrecht, en de toewijding van de naburige prinsen en machthebbers helpen behouden. Hieruit zou men kunnen afleiden dat de raadsleden van mening waren dat op minstens een aantal van deze punten Bedmar in gebreke was gebleven.




258 Consulta Consejo de Estado, 19/8/1623 (AGS E 2037, f.23)
259 Filips IV aan Isabella, 2517/1623 (AGS E 2233, f.369)
26°Filips IV aan Bedmar, 25/9/1623 (AGS E 2233, f.381)
261 la Cueva aan Filips IV,  II/10/1623 (AGS E 2037, z.f.)
262 Consulta La Junta de Quatro, 14/ II/1623 (AGS E 2037, f.40) Filips IV aan la Cueva, 18/ II/1623 (AGS E 2233, f.397)
263 Filips IV  aan de junta van Aranjuez, 17/4/1625 (AGS E 2234, f.217-220)


De eerste voorgestelde kandidaat was de graaf van Gondomar264 • Verder werd onder andere ook de markies van Mirabel, ambassadeur in Parijs, naar voor geschoven265 •


La Cueva zou nog tot 1632 moeten wachten voor hij opnieuw voet zou zetten op ltaliaans grondgebied, want op 12 maart 1624 brandde zijn huis a:f66• Het grootste gedeelte van het oude huis van de prins van Oranje en veel kostbare documenten (onder andere de 'relations de ses anciennes ambassades') waren in de vlammen opgegaan doordat een bediende 's nachts had nagelaten een lamp te doven267•
)
 
De ambassadeur verzocht de Spaanse vorst om een uitkering en een bijdrage in de kosten, vermits hij het gedurende de twee voorgaande jaren zonder vermogen had moeten stellen. Het eerste werd hem toegestaan, het tweede voorlopig niet. De meeste leden van de Consejo hadden deze regeling voorgesteld. De markies van Villafranca stemde in met het toezeggen van een vaste toelage. Maar hij vond ook dat de vorst la Cueva niets schuldig was. Bedmar had twaalfduizend ducaten ontvangen in zijn hoedanigheid als ambassadeur en hetzelfde bedrag als bijdrage in de kosten (Deze laatste premie was hem toegezegd in juli 1623268 . Waarom zou het ontberen van zijn uitkering van twee jaar voor zijn kardinaalschap dan nog van belang zijn? En hem een extra som geld betalen omdat zijn huis is afgebrand, zou hetzelfde zijn als de Consejo die de koninklijke schatkist in vlammen deed opgaan. Moest men dit bedrag uitkeren, zou de markies nog eens zoveel vragen voor een andere brand269•
In een brief aan Don Andres de Prada in Madrid, schreef la Cueva nogmaals met klem dat hij geen cent had gekregen uit de kerkelijke financiën om zijn verplichtingen na te komen. Hij deed alles om dit verbergen maar verzocht dat men snel een beslissing zou nemen over hem en zijn vertrek uit de Zuidelijke Nederlanden270 •


Het ging la Cueva niet voor de wind. Toen in de zomer van 1625 de graaf van Gondomar in de Zuidelijke Nederlanden verbleef, zonder dat zijn opdracht duidelijk was271 , verspreidde zich het gerucht dat hij de kardinaal kwam vervangen. Anderen dachten dat la Cueva op post zou blijven, want weinig geliefd als hij was door het volk, was hij de ideale persoon in het bestuur om alle impopulaire maatregelen op afte schuiven272•



264 zie infra zelfde pagina en p.57.
265 Consulta Consejo de Estado, 7/4/1625 (AGS E 2234, f.218)
266 briefvan la Cueva, 14/3/1624 (CCE TI, 469)
267 Bagno aan Barberini, 16/3/1624 (Nd.F V, 910)
268 Filips IV aan Isabella, 2317/1623 (CCE ll,418)
e
 
269 Consulta Consejo d. Estado, 24/6/1624 (AGS E 2Q38, f.29)
27°Consulta Consejo de Estado, 28/ III1624 (AGS E 2038, f.25)
271bericht aankomst te Brussel uit Frankrijk: Flacchio aan Barberini, 2617/1625 (Nd.F V, 1376) Flacchio aan Barberini, 23/8/1625 (Nd.F V, 1386)
272 Flacchio aan Barberini, 6/9/1625 (Nd.F V, 1391)


Gondomar stond erop dat la Cueva hem eerst bezocht, de ambassadeur stuurde echter iemand om hem te groeten maar weigerde zelf te gaan. De graaf klaagde dat hij zich als een Excellentie liet behandelen273• Gedroeg de ambassadeur zich zo vanwege de geruchten die de ronde deden of omdat hij, verheven in het kardinaalsambt, zijn positie belangrijker achtte?
De kwestie werd voorgelegd aan de Consejo de Estado. De raadsleden en de vorst waren van mening dat de graaf in zijn recht stond. Het was wel degelijk de gewoonte dat kardinalen in Italie geen verwelkomingsbezoeken aflegden, maar la Cueva was een Spanjaard en hoorde zich op. voet van gelijkheid te gedragen tegenover Gondomar274 • De koning wees hem dan ook terecht 75• Bedmar verdedigde zich en kreeg de steun van de nuntius en van de paus. Hij voerde aan dat niemand voordien van hem het eerste bezoek had geëist, noch de graafvan Oñate, noch de markies van Inojosa276• Filips IV had eveneens beslist dat Gondomar, tijdens zijn verblijf in Brussel, deel zou uitmaken van de junta's en raden 277• Ook daar werd over geredetwist. De kardinaal wou de graaf voorgaan in de zittingen van de Junta van Oorlog, aanvoerend dat men dezelfde orde hoorde aan te houden als in de Consejo de Estado. Gondomar wou ook de eerste zijn278• Hier kreeg la Cueva wel gelijk: Filips IV schreef naar Gondomar dat de kardinaal voorrang haden dat er geen enkele reden was om dat te veranderen279•







No hay comentarios:

Publicar un comentario