Het derde, vierde en zesde punt waren het meest essentieel en onontbeerlijk voor Filips IV, wat la Cueva beaamde. De ambassadeur berichtte dat Kesseler stelde dat in de huidige faze van de onderhandelingen, de Staatsen zouden bereid zijn toe te geven, wat betreft 's Hertogenbosch en de Westelijke Indien. In geval vaneen vredesakkoord, zouden de Zuidelijke Nederlanden moeten bijdragen in de kosten voor het Spaanse leger, poneerde de koning. La Cueva relativeerde dit door de vorst er opten wijzen dat de Spaanse Nederlanden altijd minder beden hadden toegekend in vredestijd dan in oorlogstijd. Zo gaf het graafschap Vlaanderen toen negentigduizend florijnen per maand, tegen zestigduizend tijdens het Bestand. De andere provincies droegen minder bij, vermits zij 'moeilijker' waren.
La Cueva was niet voor een langdurige vrede, want dat zou de trouwe provincien naar de eis drijven om het Spaanse leger in de Nederlanden drastisch in te krimpen of te ontslaan, zodat de verdediging van het land niet gewaarborgd zou zijn. Tevens zouden noch de regering, noch de justitie goed kunnen functioneren. Men zou minder autoriteit en respect afdwingen, die zo nodig waren in die streken en de Zuid-Nederlanders zouden in staat zijn aanspraak te maken op de licenten en op andere koninklijke voorrechten, die la Cueva essentieel achtte voor de veiligheid van de Zuidelijke Nederlanden496 •
Een halve maand later leek la Cueva radicaler ingesteld. De kardinaal, Don C los Coloma en van den Bergh waren op de hoogte gesteld door Isabella van de stand van zaken497• Hij schreef een brief aan Olivares over hoe het verwachte uitstel van de besprekingen er gekomen was. Volgens la Cueva zou het 'slechte' Noord-Nederlandse
volk dwarsliggen en omdat zoveel personen op de hoogte waren van de inhoud van de gesprekken, zouden Frankrijk, Engeland en Venetië er hoogte van krijgen en zouden ze tegenargumenten inbrengen. Hij dacht dat het meer nadeel dan voordeel zou opleveren aan de rebellen, indien de situatie dezelfde bleef. La Cueva nam met zekerheid aan dat als een langdurig bestand zou worden afgesloten, de Zuidnederlanders al snel zouden eisen van de vreemdelingen dat ze het land verlieten, zoals ze dat meermaals in andere tijden hadden gedaan. De troepenmacht zou ingekrompen worden, zodat men niet meer op gepaste wijze de doelstellingen van de koning zou kunnen bewerkstelligen. De natuur van het Zuid-Nederlandse volk, geholpen door hun privileges en de nabijheid en het voorbeeld van de rebellen maakten dat men deze provincien goed in het oog moest houden. Om dit volk gehoorzaam te houden, zouden in geval van een nieuw bestand evenveel troepen moeten gelegerd blijven dan tijdens het vorige bestand. La Cueva herhaalde dat er in vredestijd minder belastingen lbs te krijgen waren dan in tijden van oorlog. Met een oorlog die goed gefinancierd zou worden, kon men aanzienlijke vooruilgang boeken. Olivares wist ook, voegde de kardinaal er aan toe, dat een bestand enkel overwogen werd uit geldtekort. Als er echt geen andere mogelijkheid was, moest maar worden
497 Isabella aan Filips IV, 1017/1629, gelezen te Madrid 2217/1629 (AGS E 2043, f.121)
toegegeven aan het sluiten van een bestand, met het risico op grote nadelen. Diegenen die de vorst verafschuwden, zouden hem zekere aanvallen na een dergelijke uiting van onmacht om oorlog te voeren. De juiste weg naar zekerheid en de vrijstelling van oorlog was de vijand in dezelfde situatie brengen waarin Spanje zich toen bevond en als alles niet was zoals het moest zijn op vlak van veiligheid en fmancien, moest men precies het tegenovergestelde doen van wat men nu deed, beweerde la Cueva nogal vaag. Tot slot pleitte hij voor het nodige geld voor de verdediging van 's Hertogenbosch en voor keizerlijke bijstand bij deze operatie498 .
In oktober leden de onderhandelingen nog steeds onder een vertraging door toedoen van de rebellen. La Cueva vermoedde dat van den Bergh er voor iets tussen zat. De graaf zou trachten de onderhandelingen naar zich tote trekken. Men had de Noordnederlanders toegegeven wat ze vroegen, dus zag de ambassadeur geen andere reden voor hun weigering. Het uitstel hield een groot risico in omdat de keizerlijke troepen aan de Rijn dienden te worden onderhouden. Enige druk vanuit Engeland of Frankrijk op de Staatsen was niet waarschijnlijk, want de rebellen hadden altijd vooropgesteld geen inmenging te dulden van wie dan ook en, achtte la Cueva, de Noordnederlanders waren te betrouwen omwille van de staat van onbeschaamdheid waarin ze op dat ogenblik verkeerden499• Hij duidde op de recente verovering van 's Hertogenbosch.
Midden november kwamen er nog meer negatieve geluiden van de kant van la Cueva Er werd tegelijkertijd onderhandeld tussen Kesseler en de Noord-Nederlandse afgevaardigde en tussen van den Bergh en de prins van Oranje, maar zonder resultaat. Na de terugtrekking van de Spaanse en keizerlijke troepen uit de Rijnregio, toonden de rebellen weinig bereidheid tot het sluiten van een bestand. Ze beschouwden het leger van Filips IV als zwak en dat van hen als gevechtsklaar, waarop la Cueva wees op het belang van het in gereedheid brengen van het leger. Hij misprees van den Bergh die zich niet gedroeg als een generaal en Gelderen als zijn eigendom en toevluchtsoord zag. Het leger had geld nodig en een nieuwe leiding. De rebellen hadden de Spanjaarden doen inslapen met hun belofte van een bestand, terwijl ondertussen de Staatsen hun ondememingen verder zetten500• Kort daama sprak hij bij Olivares zijn twijfels uit over de bereidheid van de Staatsen om vooralsnog een bestand af te sluiten501 .
499 La Cueva aan Filips IV, 9/10/1629, gelezen te Madrid 29/10/1629 (AGS E 2043, f.206)
500 Consulta Consejo de Estado, 10/12/1629 (AGS E 2043, f.190)
501 Consulta Consejo de Estado, 25/12/1629 (AGS E 2043, f.297)
3.2.3 Oorlog op zee
3.2.3.1 Armada
Na 1625 werd het aantal schepen van de oorlogsvloot moeizaam op een dertigtal gebracht502•
Eind 1626 brachten Isabella en la Cueva bericht uit over de verliezen die de armada bleef toebrengen aan de Staatsen. Zowel de Spaanse schepen als de schepen van particulieren namen veel vijanden gevangen en brachten een aantal schepen tot zinken. Ze hadden de Noordnederlandse schepen voor de Vlaamse kust gedwongen de Staatse vissersboten te verdedigen. Vier kapersschepen uit Oostende hadden namelijk grote schade toegebracht aan de visserij van de rebellen, wat een groot verlies betekende voor de Noord-Nederlands, vermits het seizoen in volle gang was503• Filips IV verlangde van la Cueva beter geïnformeerd te worden over de armada. Hij wilde weten hoeveel schepen er beschikbaar waren en waarom de vloot gedurende een jaar niet was uitgevaren504•
Een jaar later berichtten Isabella, la Cueva en Spinola over een belangrijke overwinning van de armada. Dertien schepen van de Duinkerkse oorlogsvloot hadden met succes een Noordnederlandse vissersvloot ontregeld. Van de zeven oorlogsschepen die de vloot bewaakten, werden er drie in beslag genomen en één tot zinken gebracht. Ook van de vissersschepen waren er een aantal de grond in geboord. De armada zelf keerde veilig terug. Vijf andere schepen van de vloot hadden elf haringschepen overmeesterd en acht buit gemaakt met ladingen van onder meer koper, ijzer, masten, planken, zout en steenkool. Twee van de Zuidnederlandse schepen waren verder gevaren om een andere vloot aan te vallen505• Filips IV bedankte la Cueva voor het verheugende bericht506•
Begin 1628 moest la Cueva melding maken aan de vorst dat enkele waardevolle schepen van de armada verloren waren gegaan in een storm voor de kust van Engeland507•
Hierna zijn er geen brieven van de kardinaal meer gevonden betreffende acties van de Zuid-Nederlandse vloot. Door het acute belang van de bewegingen van het Staatse leger op het land, kwam de maritieme oorlog op de achtergrond.
503 Consulta Consejo de Estado, 4/ll/1626 (AGS E 2040, f.l5)
504 Filips IV aan la Cueva, 14/ III1626 (AGS E 2235, f.l22)
505 Consulta Consejo de Estado, 8/10/1627 (AGS E 2041, z.f.)
506 Filips IV aan la Cueva, 22/10/1627 (AGS E 2235, f.332)
507 Consulta Consejo de Estado, 10/2/1628 (AGS E 2042, z.f.)
3.2.3.2 Noordnederlanders op zee
De Westindische Compagnie, volgens een bericht van de informanten van la Cueva van 28 maart 1628, was gehaast in het optuigen van de schepen, waarvan de ambassadeur reeds eerder bericht had uitgebracht, en de meesten van hen begaven zich al richting Texel. Piet Hein zou de expeditie leiden. Er werd algemeen gezegd dat ze een belangrijke ondememing zouden uitvoeren en dat ze voorzieningen meenamen voor twee jaar. Dat laatste leek la Cueva wat overdreven, waarin hij ook gelijk zou krijgen, in september reeds zou de · legendarische kapitein iijn slag slaan. De ambassadeur had er toen nog geen idee van dat hij op de zilvervloot zou uit zijn. Op 4 april kreeg la Cueva bericht dat de vloot als einddoel de Allerheiligenbaai (la Baya de todos los santos), Pernambuco of een andere streek in Brazilie zou hebben. De schepen zouden verdeeld in eskaders vertrekken, om zich op een afgelegen plek te verenigen. La Cueva en zijn spionnen raadden de koning aan de Brazilievaart aan te passen, want het vermogen, waarmee de West-Indische Compagnie zich bewapende en zich onderhield, kwam voomamelijk voort uit de buit gemaakte suiker en handelswaren afkomstig uit dat land508• De vorst bedankte la Cueva voor zijn informatie. Deze gegevens waren van belang om de verdedigingstactieken van Spanje. eventueel te passenso509
Beginjuni maakte de kardinaal melding van het vertrek van Piet Hein. Wat betrof doel van de expeditie had la Cueva geen zekerheid maar één van de mogelijkheden die hij
|
Een maand later wist la Cueva dat de W.I.C. vijftien schepen optuigde om diegenen die al waren uitgevaren, af te lossen. In totaal waren er nu vijfenzeventig vaartuigen van de Compagnie op zee511
In de herfst stuurden men nieuwe berichten vanuit de Zuidelijke Nederlanden dat de rebellen zich opmaakten om naar de kusten van Brazilie te varen. De Consejo de Estado stelde de Raad van Portugal op de hoogte512• Ook was de vorst door la Cueva geïnformeerd over twee Hondurese schepen die in handen van de rebellen waren gevallen513•
Pas in december vinden we een bericht van de kardinaal, die beweerde er al eerdere te hebben gestuurd, over de intenties van de Noord-Nederlands betreffende de zilvervloot. Naar zijn informatie zou de vloot overvallen worden voor haar aankomst te Havana, maar hij raadde aan reeds voordien op de hoede te zijn, want er waren
509 Filips IV aan la Cueva, 5/4/1629 (AGS E 2236, f.81) Filips IV aán la Cueva, 8/4/1629 (AGS E 2236, f.89)
510Consulta Consejo de Estado, 5/7/1628 (AGS E 2042, z.f.)
511Consulta Consejo de Estado, 18/7/1628 (AGS E 2042, z.f.)
512 Consulta Consejo de Estado, 24/10/1628 (AGS E 2042, z.f.)
513 Filips IV aan la Cueva, ?/?/1628 (AGS E 2236, f.394)
zoveel Staatse schepen uitgevaren, dat ze overal konden toeslaan. De Consejo reageerde slapjes: ze zouden de Junta de Guerra de Indias informeren, voor het geval dat het passend zou zijn voorzorgsmaatregelen te nemen ('por si conuiniere preuerur algo en ello')514.
Op het einde van januari 1629 kwamen in verschillende Noord-Nederlandse havens schepen aan die de vloot van Nueva España beroofd hadden. Binnen afzienbare tijd zouden de Staten bij elkaar geroepen worden om, na deze beroving te beslissen over verdere acties te land en op zee. Zeker was, volgens la Cueva, dat ze meer schepen zouden bewapenen dan het vorige jaar, om vloten, galjoenen en havens in te nemen in de Indien. Ook in de Nederlanden zelf zouden ze een grote actie ondememen, dewelke was toen nog niet duidelijk. La Cueva drong er bij de koning op aan niet alleen in de verdediging te voorzien, maar ook stappen te ondememen om de Staatsen schade toe te brengen. Hij zag zelf wel in dat, gezien de omstandigheden, dat niet zo evident was, maar het zou beter zijn dan de toenmalige vooruitzichten515•
Na inlichtingen van la Cueva over de plannen voor een grootscheepse ondememing van de rebellen in Amerika, besloten de raadsleden van de Consejo de Estado voorzorgsmaatregelen te nemen. De hertog van Feria stelde voor in de voomaamste, onbewaakte plaatsen van de Westelijke Indien, soldaten te vestigen. Overal zou men een militaire leider aanstellen zodat elke plaats a:fzonderlijk kon worden verdedigd. De meerderheid van de raadsleden en de koning keurden dit plan goed516•
Op 3 februari 1629 gaf de ambassadeur meer informatie door over de nieuwe expeditie van de West-Indische Compagnie. Eén voor één of in kleine groepjes vaarden de schepen uit om zich op een bepaalde plek te verzamelen, waar precies dat trachtte la Cueva nog uit te zoeken. Het merendeel zou het opnieuw gemunt hebben op de zilvervloot van Peru, en alhoewel ze hem misschien niet zouden overmeesteren, was het toch de intentie van de rebellen om zijn doorvaart te belemmeren. Bovendien waren er plannen om de kusten van de Indien en Brazilie te plunderen. Met zekerheid kon gesteld worden dat ze zouden trachten vaste plaatsen te veroveren om hun betrachtingen verder uit te voeren. De Consejo de Estado gaf deze informatie door aan de Junta's van Oorlog en van de Indien en aan de Raad van Oorlog517.
Ook de daaropvolgende berichten die la Cueva ontving van zijn informanten, handelden over de grootschalige onderneming van de West-Indische Compagnie. Alles samen zouden er tweehoilderd Staatse schepen uitvaren. Niet alleen de zilvergaljoenen zouden hun doelwit zijn, ook andere Armada's van de koning en bepaalde belangrijke plaatsen, zoals Havana. Volgens de ambassadeur was het evident dat men het nodige moest ondernemen tegen deze expeditie518•
515 La Cueva aan Filips IV, 25/1/1629, gelezen te Madrid 14/2/1629 (AGS E 2043, f.204)
516 Consulta Consejo de Estado, 21/2/1629 (AGS E 2043, f.302-319)
517 Consulta Consejo de Estado, 10/3/1629 (AGS E 2043, f.199)
518 La Cueva aan Filips IV, 3/3/1629, gelezen te Madrid 18/3/1629 (AGS E 2043, f.l62)
Op 29 april berichtte la Cueva de koning dat volgens zijn bronnen de aankomst van de zilvergaljoenen, in Den Haag grote opschudding veroorzaakte bij de rebelse staten. Twee dagen lang werden er uitgebreide raadszittingen over gehouden, met als uiteindelijk resultaat dat de prins van Oranje de stad verliet en drie dagen in Arnhem verbleef, waar het grootste deel van de artillerie en de rijtuigen waren opgeslagen519• Waarschijnlijk trof hij daar voorbereidingen voor de belegering van 's Hertogen Bosch.
La Cueva stelde de koning op de hoogte van het voomemen van de Noord-Nederlands om de Azoren te bezetten. In Madrid besliste men de Raad van Oorlog te waarschuwen520•
In de zomer behandelde de Consejo een bericht van de ambassadeur waaruit bleek dat een groot deel van de West-Indische Compagnie (zesentwintig schepen) uitgevaren was en zich tussen Calais en Dover bevond. De raadsleden besloten, met goedkeuring van de koning die tot spoed aanzette, Don Fadrique de Toledo te waarschuwen, via de
|
In maart 1630 veroverden de Noord-Nederlands Olinda en Recife (of Pernambuco, later Mauritsstad in Noord-Oost-Brazilie). Ondanks dat de Portugezen de tijd hadden om de suikerplantages af te branden voor de aankomst van de Staatsen, betekende dit een groot verlies voor Madrid. Onmiddellijke orders werden gegeven voor een tegenexpeditie, zoals die had plaats gevonden tegen Bahía in 1625 522•
De kardinaal slaagde er ook nu weer in de verovering van Pernambuco door de rebellen te minimaliseren. De overwinning kon de kosten van de ondememing niet compenseren. Ook met de verdediging van de stad zou men meer geld kwijt dan rijk zijn. Uit dat besef was een conflict voortgekomen tussen de rebelse Staten en de W.I.C., over wie in het onderhoud moest voorzien. Uiteindelijk besloten de Staten voorlopig een oorlogsvloot te sturen om hulp te hieden bij het behoud van Pernambuco523•
3.2.4 Sluiting van de rivieren
De vorst zocht en vond in la Cueva een voorstander van de rivierblokkade524• Door het verlies van de V.O.C., de vermindering van de handel en de sluiting van de waterwegen, hadden de Staatsen, volgens de kardinaal, begin 1626, een a:fkeer gekregen van de oorlog en wilden ze hem zo snel mo elijk beëindigen525• In de
52°Consulta Consejo de Estado, 5/7/1629 (AGS E 2043, f.276)
521La Cueva aan Filips IV, 1717/1629, gelezen te Madrid 4/8/1629 (AGS E 2043, f.127)
Consulta Consejo de Estado, 7/8/1629 (AGS E 2043, f.126-127)
522 J.H ELLIOTI, The Count-Duke..., pp.402-403.
523 Consulta Consejo de Estado, 10/6/1630 (AGS E 2044, f.133)
524 Filips IV aan la Cueva, 4/1/1626 (AGS E 2235; f.5) Filips IV aan la Cueva, 15/1/1626 (AGS E 2235, f.12)
tegenzet van de Verenigde Provinciën, die bestond uit het uitgeven van plakkaten die de handel met het Zuiden verboden, zag Filips IV geen graten. Hij gaf de ambassadeur opdracht de blokkade sluitend te houden526• La Cueva bleef in zijn brieven aan de koning benadrukken dat de sluiting van de rivieren schadelijk was voor het
Noorden527•
Isabella's enthousiasme voor het project was bekoeld. Filips IV vroeg dan ook aan la Cueva bij haar aan te dringen om de sluiting van de rivieren te behouden, wegens het belang ervan en de voordelen die men er uit haalde 528• In juni herhaalde de vorst zijn verzoek aan de kardinaal, waarbij hij de landvoogdes moest wijzen op het succes van de sluiting529.
De rivierblokkade kostte de Infanta echter tweehonderdvijftig- a driehonderdduizend dukaten per jaar aan gemiste inkomsten. Door de schaarste, prijsstijgingen van sommige producten en prijsdalingen van andere, keurden de Staten uit protest minder beden goed en ook de Rijnlandse keurvorsten ondervonden nadelige effecten van de blokkade. In 1629 werd de maatregel dan ook afgeschaft, na een eerdere versoepeling. Omdat Filips IV niet kon voorzien in de nodige financiën voor de Zuidelijke Nederlanden, door de Mantuese crisis, zag hij zich genoodzaakt toe te geven, zodat de landvoogdes opnieuw inkomsten kon derven uit de licentenhandel, de verkoop van paspoorten en de bedeheffmgen. Wegens de grote verliezen van het Zuid-Nederlandse
|
De reactie van de kardinaal op deze beslissing is niet bekend.
3.2.5 Almirantazgo
Rond 1624 werden er plannen gesmeed door de Zuid-Nederlander Gabriel de Roy om een grootse Madrileense ondememing opte zetten tegen de Staatse koopvaardij. De armada's maakten daar deel van uit; de Spaanse kaapvaart zou geleidelijk aan de handelsvloot van de Verenigde Provinciën uit het Kanaal en uit de Oostzee verjagen. Tevens zou een handelscompagnie worden opgericht, samengesteld uit Spanjaarden, Zuid-Nederlanders en Handzetten, die de handel tussen Noord- en Zuid-Europa zouden ovememen. Er waren echter zware voorwaarden aan het slagen van het plan verbonden: de keizer zou het Oostzeegebied onder Habsburgse hegemonie moeten brengen, zodat Spanje over een Oostzeehaven kon beschikken als admiraliteitszetel
526 Filips IV aan la Cueva, 3/3/1626 (AGS E 2235, f.36)
527 Consulta Consejo de Estado, 7/3/1626 (AGS E 2040, f.48)
528 Filips IV aan la Cueva, 10/2/1626 (AGS E 2235, f.24)
529 Filips IV aan la Cueva, 4/6/1626 (AGS E 2235, f.65)
530 R VERMEIR, op.cit., p.37.
van de kaper vloot. Anderzijds zouterij ook de Hanzesteden tot medewerking bereid moeten gevonden worden531•
In 1628 liep het echter al mis. De Handzetten weigerden hun commerciële medewerking aan het Oostzeeproject. Toen in 1630 een Zweeds leger het Rijk binnendrong, werd de mislukking bezegeld 532•
In 1627 verordende de vorst lsabella een Handelsraad (Consejo de Comercio) op te richten, die ondergeschikt zou zijn aan de Junta del Almirantazgo te Madrid, of later aan de Spaanse Consejo de Comercio. Het was de bedoeling dat de Zuid-Nederlandse Handelsraad verantwoording zou afleggen aan de junta en vanuit Madrid zijn instructies zou krijgen. Filips IV stelde de volgende personen voor om te zetelen in de Raad: zijn ambassadeur te Brussel (op dat moment alleen la Cueva), de aartsbisschop van Mechelen, de graaf van Compagnies, de veedor general en raadslid Roose. De Infanta had de machtiging deze personen aan te stellen of er andere voor te dragen533• Isabella antwoordde dat er problemen waren in verband met de financiering van de admiraliteit. Begin 1628 liet de vorst de Infanta weten dat Gabriel de Roy in onderhandeling trad met de Hanzesteden en dat tot dan toe alles naar wens verliep. Daarom drong Filips IV er op aan bij de landvoogdes om de Raad zo snel mogelijk te installeren. Het gebrek aan geld was geen valabel excuus om het leggen van contacten tussen Spanje, de Zuidelijke Nederlanden en de Hanzesteden uit te stellen534•
Begin maart van dat jaar maakte de Infanta haar intenties duidelijk aan de vorst om de raadsleden die hij had voorgesteld, te benoemen. Ze wachtte echter op verdere richtlijnen uit Madrid omdat er nog geen begin gemaakt was aan de oprichting van de handelsadmiraliteit 535•
3.2.6 Spionage
In een brief van 30 oktober 1627 liet de vorst zich sceptisch uit over de bereikte resultaten via het spionagewerk. De kardinaal had de Villela aangeschreven in de hoop een aanzienlijk bedrag los te krijgen voor de geheime uitgaven van de ambassade. Filips IV beval de Infanta la Cueva zijn deel uit te keren uit de legerkas. Bij deze gelegenheid had de vorst zowel la Cueva als Spinola geschreven dat bij zijn weten, ondanks de enorme uitgaven, nog geen enkel gebied veroverd was dankzij spionageactiviteiten, terwijl het toch de beste methode werd geacht om de vijand schade toe te brengen. Filips IV gaf Isabella de vrije hand om desnoods alles te geven wat er was in zijn koninkrijk, tot zelfs gehele provinciën, om te bereiken dat er via de
532 P. JANSSENS, "De landvoogdij...",p.378.
533 Filips IV aan Isabella, '22/4/1627 (SSO 196, f.337)
534 Filips IV aan lsabella, 6/2/1628 (SSO 198, f.19)
535 Isabella aan Filips IV, 10/3/1628 (SSO 198, f.127)
inlichtingendiensten enkele belangrijke omdammingen werden gedaan536• In de vermelde brief voor la Cueva was de koning niet veel malser. De kardinaal kreeg zijn geld toegezegd maar de spionageberichten moesten effect bereiken. De koning had graag gezien dat er, dankzij de geheime informatie, een plaats werd gewonnen, of door een verdrag of door inname. Want nieuws over de plannen van de vijand, had kunnen voorkomen dat Grol werd ingenomen en door intrinsieke informatie over de zwakke punten van de rebellen, had men een vergelding kunnen nemen. Voor andere vormen van spionage was er geen geld en die hadden ook weinig nut. Van geen enkele expeditie van de Noord-Nederlands had men op tijd bericht uitgebracht zodat hij had kunnen worden verhinderd, zoals daar waren die van Brazilie en Puerto Rico, het verlies van Oldenzaal en van Grol. Filips IV vroeg zich af of bij de vijand hetzelfde gebeurde. Hij sloot de brief af met la Cueva opdracht te geven voortaan te werken zoals de koning bevolen had 537•In december antwoordde Isabella aan de koning dat er voorlopig nog geen belangrijke ondememing op til was van de geheime agenten maar dat men het mogelijke zou doen naar wens van de vorst538•
Begin 1628 gaf la Cueva informatie door betreffende de krijgsvoorbereidingen van dé rebellen en hun contacten met Frankrijk en Engeland539. Vanaf 5 februari tot II maart schreefla Cueva maar liefst elfbrieven over dit onderwerp540•
Midden april berichtte la Cueva dat de rebellen steun verleenden aan de Deense koning, die betrokken was bij de oorlog in het Rijk. De Noord-Nederlands verzochten de Engelsen, via hun afgevaardigden, hetzelfde te doen. Eigenaardig genoeg gaven de rebellen tegelijkertijd opdracht aan de grensbestuurders om de mensen van de keizer en de Katholieke Liga niet te beledigen. Deze vorm van respect kwam la Cueva vreemd over want die betuigden ze zelfs niet aan hun bondgenoten, van wie ze hulp kregen. Het kon wel beschouwd worden als een poging om Rijkse steun aan de Zuid-Nederlanders te vermijden. Volgens de spionageberichten, slaagden de rebellen er niet in een bestand afte dwingen tussen Polen en Zweden, waardoor producten die in de Noordelijke Nederlanden werden ingevoerd uit Danzich en Pruisen, zoals graan en
hout, veel duurder dreigden te worden541• In een brief van mei van de vorst aan la Cueva waarin hij nogmaals zijn erkentelijkheid uitdrukt, noemt Filips IV de kardinaal een beminde vriend ('mi muy charo y muy amado amigo)542 •
537 Filips IV aan la Cueva, 30/10/1627 (AGS E 2235, f.337)
538 Isabella aan Filips IV, III12/1627 (SSO 197, f.376)
539 Consulta Consejo de Estado, 10/2/1628 (AGS E 2042, z.f.)
540Filips IV aan la Cueva, 3/4/1628 (AGS E 2236, f.285)
541 La Cueva aan Filips IV, 15/4/1628 (AGS E 2042, z.f.)
542 Filips IV aan la Cueva, 16/5/1628 (AGS E 2236, f.300)
Eind oktober bedankte de vorst la Cueva voor de informatie over het vertrek van de prins van Oranje naar Bergen en de versterkingen die de rebellen opwierpen tussen deze plaats en Steenberg543•
Begin 1629 bracht la Cueva de vorst op de hoogte van het oplopen van de meningsverschillen tussen Arminianen en Gomaristen, vooral te Arnsterdam. Het bleef ook niet meer verborgen dat de prins van Oranje sympathie koesterde voor de Arminianen en graaf Emest van Nassau voor de Gomaristen. Alhoewel deze Jaatste zich voorlopig neerlegde bij het gezag van de prins, was het, volgens la Cueva ‘s inziens, onvermijdelijk dat de twee tegenover elkaar zouden komen te staan als het conflict grotere proporties aannam. Dat zou snel gebeuren, beweerde de kardinaal, want hun samenwerking was gebaseerd op tegenslag en angst en de Noordelijke
|
Filips IV vroeg hem om verdere gegevens over de krijgstactiek van de rebellen, waarover hij bij de overgang van het jaar meermaals verslag had uitgebracht545•
Uit berichten van zijn informanten, kon la Cueva afleiden dat diegenen die de zilvervloot beroofd hadden, terug in de verenigde Provinciën, hadden verwacht dat ze een grote vergoeding zouden ontvangen. Omdat dit niet gebeurde volgens hun wens, sloeg het grootste deel van hen aan het muiten in Amsterdam. Ze namen een stuk artillerie in beslag van de versterkingen van de stad en vielen het gebouw aan van de West-Indische Compagnie om het te plunderen. Op dat moment, kwam het presidium aansnellen, dat ingesteld was vanwege de moeilijkheden tussen Arminianen en Gomaristen. Toen de soldaten op de plek aankwamen, hadden de opstandelingen reeds de deuren en ramen geforceerd. Een aantal van hen geraakte gewond en enkele stierven, maar ze lieten verstaan dat ze nog grotere acties zouden ondememen, vanwege het doel waar ze voor streden. De geschillen tussen Arminianen en Gomaristen namen in bijna heel het Noorden toe, legde la Cueva uit. Vooral in Amsterdam. waar men trachtte een eed van trouw van het volk aan de magistraat in te voeren, was de alteratie groot. Alle maatregelen die ze trachtten in te voeren, hadden een omgekeerd effect. De reden hiervoor, volgens de kardinaal, was dat het Noord-Nederlandse volk een ontwrichte instelling had als het gehoorzamen betrof. Vandaar dat hij er niet aan twijfelde dat er een grote breuk zou komen. Tussen de Staten was er grote onenigheid over de installering van het presidium in Amsterdam. Enkele steden zoals Enkhuizen, Leiden en Haarlem waren tegenstanders van wat zij noemden de verdrukking van het volk. De Staten-Generaal was tevens bijeen gekomen om over nieuwe he:f:Imgen te praten. Nog steeds volgens de ambassadeur, had de verovering van de zilvervloot hen niet zoveel opgebracht als ze hadden verwacht. Bovendien was de som verminderd die ze hadden gedacht los te krijgen van de W.I.C.,
544 La Cueva aan Filips IV, 25/l/1629, gelezen te Madrid 14/2/1629 (AGS E 2043, f.203)
545 Filips IV aan la Cueva, 22/2/1629 (AGS E 2236, f.47)
waarvan de directeuren en belanghebbenden hadden laten verstaan dat ze zelf genoeg bestemmingen hadden voor hun geld5463 juni 1629, in volle belegering van 's Hertogen Bosch, vond la Cueva toch een negatief nieuwtje over de tegenpartij. Franse en Engelse soldaten bleven vluchten uit het Staatse leger, schreef hij naar de vorst, en de prins van Oranje verzocht de
|
546 La Cueva aan Filips IV, 3/3/1629, gelezen te Madrid 18/3/1629 (AGS E 2043, f.162)
547 Consulta Consejo de Estado, s.d (AGS E 2043, f.298-299)
548 Consulta Consejo de Estado, 2212/1631 (AGS E 2045, f.38)
549 Consulta Consejo de Estado, 22/4/1632 (AGS E 2046, f.l6)
550 M.A. ECHEVARRIA BACIGALUPE, op.ctt., p.160.
BESLUIT
Bedmar, die van een gegoede familie afstamde, kreeg op vijfendertig jarige leeftijd de belangrijke post toebedeeld van ambassadeur te Venetië. Hij slaagde er echter niet in de rol van bemiddelaar in het Venetiaans-Romeins conflict over te nemen van Frankrijk. Wel vergrootte hij de Spaans-pauselijke aanhang ter plaatse en polariseerde hij zo de onvrede in de Republiek. Geruchten over een samenzwering tegen het Venetianen bestuur, waaraan de ambassadeur zou hebben deelgenomen, brachten een volksopstand teweeg die Bedmar verplichtte te vluchten.
Als vorsten van de zogenaamd onafhankelijke Zuidelijke Nederlanden, kregen Albrecht en Isabella een Spaans ambassadeur toebedeeld, welke functie Bedmar als vierde invulde. Via de installatie van het Spaans ministerie en de junta-werking werden onder het bewind van de aartshertogen de collaterale raden en de Staten Generaal in een ceremoniële functie geduwd.
In zijn instructies kreeg Bedmar de opdracht de Spaanse koning grondig te informeren over de gang van zaken in de Zuidelijke Nederlanden, Isabella na de dood van Albrecht bij te staan en raad te geven, inlichtingennetwerken te coördineren, contacten te onderhouden met de buurlanden, bestandsonderhandelingen met de Verenigde Provinciën te bevorderen in het voordeel van Spanje, goede relaties op te bouwen met voornamelijk de hogere klassen van de inlandse bevolking en melding te maken van deloyale personen aan het hof.
Op 31 oktober 1619 kwant Bedmar aan te Brussel en hij toonde meteen zijn afkeur voor Albrechts zachte aanpak van de volksopstand in de stad, die was ontstaan na de doorvoering van tak heffingen. De ambassadeur werd voorzitter van de Junta de Hacienda, die de militaire financiën behandelde, nam deel aan de Junta de Guerra (Junta van Oorlog) en had zitting in de junta die als opdracht kreeg de Spaanse vorst raad te geven over het al dan niet verlengen van het Twaalfjarig Bestand. Met de dood van Albrecht in het vooruitzicht kreeg Bedmar de taak opgelegd Spinola mee te delen dat hij niet belast zou worden met de legerleiding, maar geacht werd te dienen onder Isabella. Dat dit zonder problemen verliep, wijst op de goede verstandhouding tussen de ambassadeur en Spinola.
Bedmar beheerde en bewaarde in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van Filips III belangrijke documenten zoals dat betreffende de machtsovername van Isabella. Toen deze in juli 1621 plaatsvond, wat de terugkeer van de Zuidelijke Nederlanden onder het bewind van de Spaanse vorst impliceerde, volgde men in Madrid Bedmars raadgevingen op voor wat betrof de draagwijdte van de bevoegdheden van de landvoogdes. Isabella zou meer inspraak krijgen dan de vorige gouvemeurs maar het zou wel duidelijk blijven dat de Spaanse vorst het hoogste gezag bekleedde. Bedmar zelf bleef in functie om de continuïteit in het beleid te garanderen.
In 1620 was Bedmar nog van oordeel dat de gesprekken met de Noord-Nederlands over een verlenging van het Bestand moesten worden voortgezet. Hij werd in Madrid
als een vertrouwenspersoon tussen de onderhandelaars gezien. Tegelijkertijd moest hij toezien op de uitvoering van militaire voorzorgsmaatregelen, die in Madrid waren opgesteld. Toen de nieuwe koning, Filips IV, besloot de oorlog te hervatten, was Bedmar de eerste om zijn mening over het verlengen van het Bestand te herzien.
In de zomer van 1620 werd de Armada de Flandes opgericht om gestalte te geven aan de maritieme oorlogsvoering tegen de Staatsen. Als voorzitter van de Junta de Hacienda, was Bedmar verantwoordelijk voor de financiering van de scheepsbouw. Ook in de benoeming van de leiding van d_e oorlogsvloot had hij inspraak.
Via de spionagenetwerken van de ambassadeur en van Sueyro, die door de 'gastos secretos' van de ambassade betaald werden, vergaarde men politieke, economische en militaire informatie over de Verenigde Provinciën. Bij de oprichting van zijn informantennetwerk, kreeg Bedmar richtlijnen vanuit Madrid. Hij werd opgedragen de mogelijkheden te bestuderen om steun te verlenen aan Noord-Nederlandse dissidenten, zoals de Arminianen. Omgekeerd moest hij Staatse plannen in het Zuiden trachten te verijdelen. De aversie die Bedmar koesterde jegens Sueyro sproot waarschijnlijk voort uit het streven van de ambassadeur naar een betere geheime berichtgeving, waarbij Sueyro als een concurrent werd gezien.
Bedmar was voorstander van Spaanse hulp vanuit de Zuidelijke Nederlanden aan een invasie in de Neder palts naar aanleiding van de Boheemse crisis. De Spaanse koning stemde toe, mede dankzij de grote diplomatieke druk. De ambassadeur drong er bij de vorst op aan de nodige geldelijke middelen te voorzien. De vorst antwoordde met een verzoek aan Bedmar om druk te zetten achter de militaire voorbereidingen. De ambassadeur pleitte voor het behoud van de banden met Maximiliaan van Beieren, ondanks het door de hertog afgesloten vredesverdrag met de Evangelische Unie. Niettegenstaande zijn onmisbaarheid te Brussel, vergezelde Bedmar het Zuid-Nederlandse leger tot aan de Rijn. Op initiatief van de ambassadeur kwam, na de geslaagde tussenkomst in de Palts, het Zuid-Nederlandse leger de keurvorst van Keulen ter hulp. Nadat hij hiervoor verantwoording aflegde bij de koning, keurde deze de actie goed. Vanaf juni 1621 toonde de ambassadeur zich een voorstander van een schikking in de Palts.
In de periode 1622-1615 werd het belang van Bedmar bevestigd. Ondanks berichten over zijn vertrek naar Rome en het uitkijken vanuit de Consejo de Estado naar een vervanger, die een aantal mistoestanden zou moeten rechtzetten, bleef Bedmar stevig op post. Hij organiseerde mee de eedaflegging van de Zuid-Nederlandse provinciën aan Filips IV en werd bevorderd tot kardinaal Cueva. Vanaf 1624 volgden er zich een aantal tegenslagen op: zijn huis brandde af, hij kende geldproblemen en hij lag in conflict met de graaf van Gondomar, waarvoor bemiddeld werd vanuit Madrid. Ondanks zijn overwegend negatieve houding ten aanzien van de inlandse bevolking, werd la Cueva de woordvoerder van de junta die de verdediging op zich nam van de belangen van de Zuid-Nederlandse handelaars, die voor hun producten geen afzet vonden in de Spaanse havens. La Cueva stelde in opdracht van de koning een verslag
op over de staat van de koninklijke financiën. Tevens viel het onder Zijn verantwoordelijkheid om wantoestanden in het leger op te klaren.
Als tegenstander van een bestand met de Verenigde Provinciën werd de kardinaal uit de onderhandelingen geweerd. Onderbouwd door de adviezen van Isabella en la Cueva, dokterde het beleid in Madrid de strategie uit om met de Duinkerke armada vooral Staatse handelsschepen aan te vallen en de visserij schade toe te brengen. La Cueva was voorstander van een rivierblokkade en zag niet op tegen een moeilijke ondememing, zoals het beleg van Breda, alhoewel hij een actie aan de IJsel had geprefereerd. Nauw betrokken bij het beleid van Zuid-Nederlandse oorlogsvloot, bracht la Cueva verslag uit van de vorderingen en successen. Dankzij zijn contacten in de Verenigde Provinciën kon de ambassadeur Filips IV informeren over de Staatse plannen in de lndien. Aan een verzoek van de vorst om de hulp van de rebellen aan Bahía te verijdelen, kon la Cueva niet voldoen. Volgens hem was het effectiever de Noord-Nederlands op hun eigen grondgebied te bevechten. Zijn informantennetwerk maakte het la Cueva mogelijk Madrid te informeren over de oorlogsplannen van de Staatsen, hun betrekkingen met het buitenland en hun bestuur. Na ernstige botsingen met Sueyro, van wie de ambassadeur weigerde essentiële berichten door te geven aan de koning, kwam deze onder de hoede van Isabella, met wie Sueyro evenzeer meningsverschillen zou hebben.
Bedmar werd nauw betrokken bij de onderhandelingen voor een vredesovereenkomst in de Palts, maar voor belangrijke beslissingen verwees hij naar Madrid. Ook in de gesprekken betreffende een eventuele Beierse tussenkomst in de oorlog met de Verenigde Provinciën, speelde de ambassadeur een rol. Toen deze bijstand in eerste instantie niet bekomen werd, voelde Bedmar dit aan als een persoonlijke mislukking, maar hij bleef er voor pleiten de contacten met Beieren te behouden. Later zou dit blond worden met, weliswaar matige, Rijkse bijstand tegen de rebellen.
Het conflict met Gondomar loste zichzelf op in 1626 door een kleine toegeving van de graaf.
La Cueva, die deel zou uitmaken van het interim-bestuur ter vervanging van Isabella, vroeg om een aanpassing van het document, dat voor deze gelegenheid was opgesteld en in zijn bewaring was gegeven. Hijzelf zou, zoals veel andere voorgedragen voor het interim-bestuur die wegvielen, vertrekken uit de Nederlanden. De ambassadeur stond negatie tegenover mogelijke Zuid-Nederlandse inbreng in deze regering.
Vanaf de val van 's Hertogen Bosch, waarvoor la Cueva door het volk verantwoordelijk werd gesteld, was de kardinaal erg gehaat in de Zuidelijke Nederlanden. La Cueva had echter hardnekkig gepleit bij de Consejo de Estado voor het nodige geld voor de verdediging van de stad. Ondanks het staatsbankroet en het verlies van de zilvervloot, zorgde de ambassadeur er mee voor dat vanuit de Zuidelijke Nederlanden, zij het dan in beperkte mate, voor de financiering van het leger werd gezorgd. Hij probeerde de Madrileense aandacht af te leiden van de publieke onvrede over zijn persoon, door Hendrik van den Bergh en de hertog van Aarschot, waarvan inderdaad later bleek dat
La Cueva stelde zich in de late jaren twintig gunstig op jegens de hernieuwde onderhandelingen met de rebellen. Hij was echter tegen een langdurige vrede als deze een inkrimping van het Zuid-Nederlandse leger inhield. In 1629 schaarde hij zich echter achter Olivares en bepleitte hij een krachtdadige oorlog. Kort daarna liepen de vredesgesprekken vast wegens desinteresse vanuit Staatse hoek. Tot 1628 bleef la Cueva verslag uitbrengen over het wedervaren van de armada. Of hij nog betrokken was bij het beleid van de vloot, is niet duidelijk. Een jaar voordien had Filips IV zijn ambassadeur vermaand wegens de geringe opbrengst van zijn spionageactiviteiten. La Cueva antwoordde door Madrid te waarschuwen voor de overzeese projecten van de Staatsen, die leidden tot de verovering van de zilvervloot en de inname van Pernambuco. De rest van zijn spionageberichten behielden hetzelfde karakter als voordien; er werd geen veldslag mee gewonnen.
Op verzoek van de Spaanse koning probeerde la Cueva Isabella te overtuigen van de voordelen van de rivierblokkade, die een boycot van de Noord-Nederlandse handelswaren bewerkstelligde. De rivieren werden echter heropend in 1629 vanwege geldtekort. In de handelsraad, die zou worden opgericht in het kader van het Almirantazgo, zou la Cueva plaats nemen, maar de hele onderneming werd vroegtijdig opgedoekt.
In september 1632 vertrok de kardinaal naar Rome, waar hij lid werd van de pauselijke curie. In 1644 werd hij benoemd tot bisschop van Palestrina en in 1648 tot bisschop van Málaga.
Kort samengevat:
In zijn beginperiode als Spaans ambassadeur te Brussel (1619-1625) was de markies van Bedmar de machtigste beleidsvoerder naast Spinola onder de aartshertogen. De kardinaal, die een trouwe volgeling was van Filips IV en Olivares, zou er niet helemaal in slagen een krachtdadig beleid te voeren in de tweede helft van de jaren twintig. Vanaf 1629 vervreemde la Cueva helemaal van de inlandse bevolking, zijn macht brokkelde af ten voordele van Aytona, en hij verliet de Zuidelijke Nederlanden in mineur in 1632.
KAART
No hay comentarios:
Publicar un comentario